bijvoeglijke naamwoorden - verbuigen

In de regel krijgt een bijvoeglijk naamwoord vóór een zelfstandig naamwoord altijd een -e, behalve bij onzijdige woorden in het enkelvoud met een onbepaald lidwoord (een mooi paard). De verbogen vorm komt voor:

  • bij de-woorden: de mooie bloem
  • bij woorden in het meervoud: de kleine kinderen
  • na het, dit, dat: het witte paard, dat oude huis
  • na een bezittelijk voornaamwoord: jullie jongste kind, mijn nieuwe auto
  • na een vooropgeplaatste genitief: Piets oude dagboek

Ook in de hoofdpunten van het journaal of in koppen moet het bijvoeglijk naamwoord goed verbogen worden.

  • Nieuwe stadhuis klaar. (Kort voor: Het nieuwe stadhuis is klaar.)
  • Vlaamse overheidspersoneel staakt. (Kort voor: Het Vlaamse overheidspersoneel staakt.)

Als het verbogen bijvoeglijk naamwoord op drie of meer doffe lettergrepen zou eindigen, wordt het bijvoeglijk naamwoord meestal niet verbogen. Dat gebeurt vooral bij adjectieven die op -ig of -lijk uitgaan.

  • het overdrachtelijk(e) gebruik
  • het verduidelijkend(e) antwoord
  • ons hachelijke avontuur

Ook in vaste verbindingen, functieaanduidingen en min of meer officiële benamingen blijft het bijvoeglijk naamwoord onverbogen.

  • het bijvoeglijk naamwoord
  • het oudheidkundig museum
  • het kort geding
  • de eerstaanwezend journalist
  • een plastisch chirurg
  • de algemeen directeur televisie
  • het Vlaams Economisch Verbond
  • het Nederlands Olympisch Team
  • het Koninklijk Besluit

Bij het noemen van iemands kwaliteiten kan de -e soms weg zonder betekenisverschil.

  • een wijs/wijze man
  • een bekwaam/bekwame arts
  • een goed/goede katholiek
  • een briljant/briljante politicus

Soms is er betekenisverschil tussen de verbogen en de onverbogen vorm.

  • een groot man (vermaard) - een grote man (groot van gestalte)
  • een knap pianist (virtuoos) - een knappe pianist (aantrekkelijk)

Deel op FacebookShare on Twitter