Begingeneriek van Johan en de Alverman
Johan komt binnen in het huis van zijn nonkel Willem en tante Lizelotje.
Johan: Pas op, tante, voor Arabella.
Tante: Oei, is dat die gekke vogel? Is hij dat?
Johan: Ah, hutsepot!
Johan zet zich aan tafel.
Nonkel: die Johan, nog altijd dezelfde. De liefde gaat bij jou door de maag.
Zeg, zou je je tante niet eerst een zoen geven. Of ben je daar te groot voor geworden.
Johan: Dit is voor u. (Johan geeft tante een kus)
Tante: Oh, die jongen knijpt mij bijna plat.
Johan: En dit is voor de hutsepot
Tante: Hij is zo sterk als een beer.
Nonkel: En honger als een beer heeft hij ook, geloof ik.
Iedereen zit aan tafel en eet van de hutsepot.
Nonkel: Zeg Johan, ben je door het bos gekomen?
Johan: Mm.
Nonkel: Moeilijkheden gehad onderweg?
Johan: Een beetje verdwaald en een beetje in sloten gelopen en ja, Arabella, die heb ik gevonden in het bos.
Nonkel: Die vogel is dus niet van jou.
Johan: Nee, maar ik denk dat ik weet van hij is. Van een meisje met lange haren en de mooiste ogen van de wereld. Ze heet Rosita en haar vader ziet eruit als een oude zeerover, met zo'n lapje voor zijn oog.
Nonkel: Nogal een blaaskaak, zeker en nogal opvliegend en zo.
Johan: Kent u hem?
Nonkel: En of ik hem ken. Hij is de nieuwe kasteelheer. Hij heet Don Cristobal De Bobadila. Hij moet zo rijk zijn als de zee diep is. Heel rijk.
Johan: Morgen ga ik naar het kasteel Arabella terugbrengen. Wel Arabella, blijf je bij mij of wil je terug naar het vrouwtje.
Papegaai: Rosita, Rosita.
Johan: Zie wel, Arabella wil terug naar Rosita.
Tante: En ik geloof dat Johan dat ook wil.
Iedereen lacht.
Eindgeneriek.