Is de kiesdrempel overal even hoog?

Is de kiesdrempel echt overal 5 procent? En waarom telt Antwerpen meer zetels? Tot aan de verkiezingen geeft politicoloog Kris Deschouwer elke dag een antwoord op uw vragen over het Belgische kiessysteem.
Voor de verkiezing van het Vlaams Parlement zijn er zes kieskringen: de vijf Vlaamse provincies en Brussel. Het aantal zetels per kieskring is niet gelijk. Het aantal zetels varieert immers met de bevolking van de kieskring. Hoe meer mensen er wonen, hoe meer zetels er zijn. Daarbij worden ook alle inwoners meegeteld die geen kiezers zijn: de inwoners jonger dan 18 jaar en de inwoners die niet de Belgische nationaliteit hebben.
Na elke volkstelling kan het aantal zetels per kieskring aangepast worden. De provincie met het grootste aantal zetels is Antwerpen (33). De kleinste provincie is Limburg (16 zetels). En de inwoners van Brussel sturen 6 leden naar het Vlaams Parlement. Dat aantal voor Brussel ligt vast.

De kieskringen zijn in België geleidelijk groter geworden. Oorspronkelijk waren de kieskringen gebaseerd op de arrondissementen. Later werden er arrondissementen tot grotere kieskring en samengevoegd, en sinds 2004 wordt het Vlaams Parlement verkozen in provinciale kieskringen. De partijen leggen dus lijsten neer per kieskring. Wie in Limburg woont krijgt andere kandidaten te zien dan wie in Oost-Vlaanderen woont.

Voor de Europese verkiezing krijgt iedereen in Vlaanderen en in Brussel dezelfde kandidaten te zien. De Europese zetels worden immers in één kieskring per taalgemeenschap verdeeld.

Grote kieskringen zijn voordelig voor politici die door iedereen gekend zijn. Kleinere kieskringen zijn voordelig voor politici die een sterke lokale band hebben. Met provinciale kieskringen zitten we daar een beetje tussenin.

Kiesdrempel niet overal 5 procent

De zetels worden evenredig per kieskring verdeeld, maar er is wel een belangrijke voorwaarde waaraan voldaan moet zijn opdat een partij inderdaad ook zetels kan krijgen: ze moet in die kieskring minstens 5 % van de geldig uitgebrachte stemmen behaald hebben. Dat is de kiesdrempel.

Nu heeft elk evenredig systeem sowieso een kiesdrempel. Een partij moet immers een minimaal aantal stemmen behalen om een zetel te veroveren. Als er 20 zetels zijn, moet ze één twintigste van de stemmen behalen, en dat is precies 5%. In een kieskring waar er minder dan 20 zetels zijn, is de drempel dus eigenlijk hoger. Om één van de zes Brusselse zetels te behalen is 16,7% nodig en om één van de 16 Limburgse zetels te behalen is 6,25% van de stemmen nodig.

Door hun ongelijke grootte hebben de kieskringen dus een drempel die varieert. Hoe groter het aantal zetels, hoe beter ze ook evenredig kunnen verdeeld worden over de verschillende partijen. In kleinere kieskringen gaan op die manier meer stemmen ‘verloren’ dan in grote kieskringen. Het is voor kleine partijen makkelijker een zetel te veroveren in een grote kieskring.

Maar 5% is wel het absolute minimum.

Meest gelezen