Een nieuwe Hermitage in Amsterdam

300 miljoen voorwerpen bezit de Hermitage Sint-Petersburg, het immense museum aan de Neva, ooit een complex van winterpaleizen van de Romanovs. Miljoenen van die objecten zullen nooit een menselijk oog bereiken.
Sinds enkele jaren hanteert de Hermitage een schoorvoetende politiek van meer uitleningen en van spoetniks. Die buitenposten kunnen tentoonstellingen organiseren met dubbels en sub-top-konfijtsels. De Amsterdamse Hermitage is de mooiste en meest prestigieuze dependance.
Leuk toeval is dat Peter De Grote het Amstelhof gezien moet hebben tijdens zijn langdurige en beslissende reis naar Amsterdam, de stad die hij als model zag voor zijn nieuwe metropool Sint-Petersburg.

Hij verbleef vlakbij het enorme bejaardenhuis, toen het gebouw met de langste gevel van Amsterdam. Misschien viel hem zelfs de gelijkenis met zijn eigen winterpaleis op: idyllisch gelegen aan het water, classicistisch van stijl, langgerekt, en her en der een onontwarbaar kluwen van zalen, kamers en gangen.
In een verbijsterend korte tijd is dat bejaardenhuis inwendig grotendeels gesloopt om plaats te ruimen voor een bijzonder geslaagd en multi-invulbaar cultuurcentrum dat de Nederlanders onophoudelijk moet bestoken met Russische film, dans, gastronomie en beeldende kunst.
Enkele kabinetten in de Hermitage Amsterdam gaat naar vaste tentoonstellingen over de geschiedenis van het Amstelhof, de verbouwing en het moederhuis in Petro-Leningrad.

Er is ook een mooie en net zoals de rest van het gebouw, verrassend heldere, ruime, lichte Kinder-Hermitage. Voorts is het de bedoeling om drie sterk van elkaar verschillende spraakmakende tentoonstellingen per jaar te organiseren.

De Hermitage Amsterdam was het aan zichzelf verplicht om klassiek te openen. "Aan het Russische hof, paleis en protocol in de 19e eeuw", is voor sommigen wellicht te traditioneel. Maar de opstelling van de artefacten, de kans om elk werk en voorwerp rustig van alle zijden en uit verschillende invalshoeken te bekijken, benadert de perfectie op het vlak van kijkcomfort.
De tentoonstelling begint met tsaar Paul, die nog eventjes heerste in de 19e eeuw, bereikt het summum van macht en welvaart met Alexander 2, en stort in met Alexander 3 en Nicolaas 2. We zijn intussen 1917.

De tentoonstelling is zeker niet hagiografisch, en als de ellende van het Russische volk weinig aan bod komt, heeft dat vooral te maken met het simpele ontbreken van de gewone mens in de Russische beeldende kunst.

De hofschilders hebben prima werk geleverd, de vrouwenportretten doen soms denken aan Alfred Stevens, de tsaren worden verrassend eenvoudig en menselijk voorgesteld.

Voorts is de openingstentoonstelling een feest van objecten: 2.000 meubelen, kleren, muziekinstrumenten, wapens, een heuse kinderkamer, authentieke tronen, juwelen, waaiers, speelgoed, boeken, "you name it". Hoe zeg je dat in het Russisch? "Spasiba" dan maar.
Lucas Vanclooster