Ook oorlog heeft zijn grenzen

60 jaar geleden, op 12 augustus 1949 werd de Vierde Conventie van Genève gepubliceerd, de eerste conventie over de bescherming van burgers in oorlogstijd. Tegelijkertijd werd ook deze Conventie samengevoegd met de drie andere Verdragen van Genève, die gingen over de behandeling van gewonde of gevangen soldaten.
Sindsdien is de Geneefse Conventie de verzamelnaam voor de vier verdragen die de rechtsregels bepalen in een gewapend conflict.
De geschiedenis van de Geneefse Conventie gaat echter veel verder terug. Het Eerste Verdrag van Genève (foto) werd in 1864 aangenomen, na  verwoede inspanningen van de Zwitserse bankier Henri Dunant.

Die was geschokt door het lijden dat hij gezien had bij de Slag van Solferino in Italië in 1859. Daar waren 40.000 gewonden gevallen en aangezien er toen geen overeenkomst was om tijdens korte wapenstilstanden de gewonden te evacueren, stierven velen van hen een ellendige dood aan hun verwondingen of door ontbering.
Daarom ijverde Dunant voor het aannemen van een conventie over de bescherming van gewonden en in 1864 werd die ook aangenomen onder de naam "Verdrag van Genève voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken, zich bevindende bij de strijdkrachten ten velde". Het ging dus alleen nog maar over gewonde soldaten en niet over burgers.

Dunant riep ook op om in elk land vrijwilligerskorpsen op te zetten om zich te bekommeren over de gewonden en dat leidde tot de oprichting van het Rode Kruis, eind 1863.

Tweede Conventie

Het Tweede Verdrag van Genève dateert uit 1906 en is een uitbreiding van het eerste Verdrag naar leden van de marine, zoals mag blijken uit de volledige naam van het verdrag: "Verdrag van Genève ter verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee".

Ook deze conventie handelt dus uitsluitend over strijdkrachten en niet over burgers.

Derde Conventie

De Derde Conventie van Genève dateert van juli 1929. De formele naam van het verdrag luidt "Verdrag tot verbetering van het lot van de gewonden en zieken in de legers ten velde" maar die vlag dekt niet volledig de lading.

Het verdrag gaat immers over de behandeling van krijgsgevangenen. Die moeten humaan en met eerbied behandeld worden en ze krijgen een aantal rechten, zoals recht op medische zorg, huisvesting zoals de vijandelijke soldaten en recht op correspondentie met naaste verwanten.

Vierde Verdrag

Op de Vierde Conventie van Genève die van 21 april tot 12 augustus 1949 gehouden werd, werd het Vierde Verdrag van Genève aangenomen, het eerste verdrag dat ging over de bescherming van burgers in oorlogstijd in handen van de vijand of onder bezetting van een vreemde mogendheid.
Het verdrag slaat op alle mensen die niet tot de strijdkrachten behoren, niet meevechten en die in handen van een bezetter terechtkomen. Net zoals krijgsgevangenen hebben zij ook een aantal rechten en de bezetter is verplicht hen te beschermen tegen geweld.Tegelijk werden ook de andere drie conventies samengevoegd met de Vierde Conventie.

Op 21 augustus 2006 maakte het Internationale Rode Kruis, dat toeziet op de naleving van de conventies, bekend dat met de ondertekening door Montenegro en het eilandstaatje Nauru alle landen ter wereld, 194, zich ertoe verbinden de conventies te eerbiedigen.

Daarmee zijn het de eerste verdragen die wereldwijd aanvaard zijn.

Nu nog toepassen

Hoewel de Conventie van Genève nu overal ter wereld aanvaard is, blijft de moeilijkheid om ze ook te laten toepassen op het terrein bij conflicten. Zoals het hoofd van de Rode Kruis-delegatie in de Georgische hoofdstad Tbilisi zei: "Datgene wat al is neergeschreven, moet gerespecteerd worden en dat is het probleem".
Naar aanleiding van de zestigste verjaardag van de conventie heeft het Rode Kruis een onderzoek gedaan in verschillende conflictgebieden. Daaruit blijkt dat de Conventie nog steeds beschouwd wordt als relevant en werkbaar en dat er zelfs vooruitgang merkbaar is. Tien jaar geleden, bij de vijftigste verjaardag , antwoordde 40 procent van de ondervraagden nog dat het toelaatbaar was om vijandelijke strijders aan te vallen in bewoonde steden of dorpen, ook als men wist dat vele burgers daarbij de dood zouden vinden. Nu is dat percentage teruggevallen tot 12 procent.

Het probleem blijft echter om de mooie principes toe te passen op het terrein (foto: een Servisch gevangenenkamp met Kroatische en moslim-gevangenen). Zo blijkt dat burgers bij de recente conflicten in Zuid-Ossetië tussen Georgië en Rusland en in het oosten van Congo nog steeds hard getroffen worden. In de beide conflicten zijn talloze burgers gedood en verdreven uit hun huizen. Velen van hen leven nog steeds als ontheemden in hun eigen land en, in het geval van Congo, lopen nog steeds gevaar het slachtoffer te worden van de rebellen of het regeringsleger.