Koen Peeters gooit hoge ogen met "De bloemen"

Van Koen Peeters (°1959) is er twee jaar na zijn "Grote Europese roman", die ook in het buitenland werd opgemerkt, een nieuwe roman die "De bloemen" heet. Het boek is netjes in drieën verdeeld. De grootouders uit het Kempische Gierle, de vader en volksvertegenwoordiger in Turnhout en niemand minder dan God zelf die langzaam uit de godvruchtige arme en stille Kempen is verdwenen, nemen elk een deel voor hun rekening.

Koen Peeters laat in “De bloemen” de spanningen zien die achter zijn hardnekkige Biedermeier ironie verborgen zaten.
Louis en Hortence Peeters, de eerste kinderen van de 20e eeuw, hebben al een stap buiten het boerenbestaan gezet.

Louis verkoopt boter en eieren aan Antwerpse burgers, wat hem de ogen opent voor een grotere wereld dan zijn dorp. Zijn vrome vrouw Hortense heeft een kruidenierszaak maar evengoed onderricht zij haar klanten met voedingstips. Koen Peeters heeft door zijn boek onverwoestbare Vlaamse recepten gestrooid als de restanten van een oude wereld die nog het minst onder ironie of ontmoediging te lijden hebben.

Rijstpap zal altijd rijstpap blijven. Peeters heeft een reeks brieven bewerkt die Hortense aan haar zonen in het kleinseminarie van Hoogstraten heeft verstuurd.

Met zoon René Peeters komt het naoorlogse Vlaanderen in beeld. De vader zit vol idealistisch engagement dat hem van de jeugdbeweging naar de politiek voert. Als katholiek volksvertegenwoordiger en hardwerkende backbencher helpt hij met zijn optimisme en geloof in de mens, de arme Kempen naar welvarende hoogten op te tillen.

De nostalgie van Koen Peeters naar de jaren van wederopbouw en Expo, met het moderne en het oude nog in een harmonisch evenwicht, vindt hier zijn oorsprong. Moeder Paula schildert en pyrograveert idyllische tafereeltjes als de geheimzinnige A. Talens in “Bezoek onze kelders”.

De zondeval komt er aan in mei ’68, geen Parijse revolte maar een ordinair verkiezingsgevecht waarbij René door nationalistische kippenboeren in elkaar wordt geslagen. Samen met een nekwervel ligt ook een droom aan scherven en splinters. De achtjarige jongen bloedt met zijn vader mee en wordt volwassen.

In het laatste deel wordt God in het centrum geplaatst. Hij was al het hele boek door aanwezig (”Als de dingen goed waren en goed gingen en iedereen zijn plaats kende, dan was God aanwezig”), maar nu is Hij uit de gemoderniseerde Kempen en de rest van het land verdwenen.

Niet helemaal want god is “in het beste geval, ons betere ik.” God is niet de hemel, maar de altijd verplaatsbare einder. God kan groeien maar ook plots verdwenen zijn.

Een van de betere boeken van Peeters

Koen Peeters schreef met “De bloemen” een van zijn betere boeken, waar zijn droefheid en boosheid de ironie schaduw en diepte verlenen, terwijl de taal beheerst en eenvoudig blijft, nooit schrille extremen opzoekt.

Vanaf grootvaders vlucht bij de varkensslacht tot het verhaal van het varkensbloed dat over de auto van een Waals politicus wordt vergoten, blijft fysiek geweld een bedreiging voor een harmonie die niet passief verworven maar nastrevenswaard is. De gebeurtenissen met zijn vader zullen zijn droefgeestige belgicisme wel gevoed hebben.

Maar ook opa Louis wou al de Brabançonne op zijn begrafenis horen klinken want - en het klinkt als de literaire geloofsbelijdenis van kleinzoon Koen - “de muziek was niet te ernstig en tegelijk ontroerend, een beetje grotesk, niet al te strijdvaardig maar toch heldhaftig”.

Resten nog de bloemen uit de titel en al de variëteiten die “staan voor iets tussen mensen”, maar in dit geval wel wat overvloedig en geforceerd zijn.

Johan De Haes

De bloemen

van Koen Peeters
uitgeverijj Meulenhoff/Manteau