Twintig jaar Stripmuseum: Nou moe!

Eigenlijk is het Belgisch Stripmuseum in de Brusselse Zandstraat niet 20 maar 23 jaar oud. Dat zit zo. Op 24 april 1986 – het was mijn verjaardag – werd er in de halve bouwval die het oude Magazijn Waucquez toen nog was, een geweldig feest gegeven.

De overheid had het prachtige gebouw (van architect Horta) niet alleen aangekocht en zo van de sloop gered, er was ook beslist dat hier het toekomstige stripmuseum zou komen: het BCB/CBB of Belgisch Centrum voor het Beeldverhaal.

Centre Belge pour la Bande Dessinée. Johnnie Walker sponsorde het feest. Wijlen Bob De Moor, de rechterhand van Hergé, hield een geweldig grappige speech.

Drie jaar later was de voormalige chique winkel in kledingsstoffen voldoende opgeknapt om een nieuw feest aan te richten, want het stripmuseum was een feit.

De koning kwam langs. Er werden linten doorgeknipt en toespraken gehouden. Maar het echte werk moest nog beginnen. Veel energie was gestoken in het gebouw, in bureaucratische beslommeringen, in financiering en personeel.

Gelukkig hadden enkele founding fathers de originelen van hun werk afgestaan aan het museum ( er zouden er nog veel volgen), want in de eerste maanden na de opening was er niet echt héél veel te bewonderen. Gelukkig dat er ook een brasserie en een stripwinkel onderdak gevonden hadden…

Het beterde snel. Op redelijk korte termijn zat het BCB op kruissnelheid. Met een vaste collectie, gelegenheidstentoonstellingen, een educatief hoekje en een juweel van een bibliotheek annex leeszaal. Jammer en vreemd dat je voor die leeszaal apart toegangsgeld moet betalen.

Het BCB werd een vaste etappe in het toeristische circuit van Brussel, en een populaire bestemming bij schooluitstappen. Of dat een zegen was, durf ik te betwijfelen.

Want ook al floreerde het museum (qua bezoekers) , vaak ontbrak de vonk, de genster, die voor stripliefhebbers groot en klein het stripmuseum tot een aantrekkelijke ‘thuis’ zou maken.

Het is in wezen een klassiek museum, met (zeer waardevolle) tekenplaten achter glas. Hier en daar, af en toe werd en wordt er moeite gedaan om dat klassieke patroon te doorbreken, met interactieve tentoonstellingen en driedimensionale ‘toestanden’.

Het stripfestival van Turnhout is lang in hetzelfde klassieke bedje ziek geweest, maar daar zijn de obligate exposities met platen achter glas vervangen door stripdecors waarin de bezoeker als het ware binnenstapt en het avontuur van de stripheld meebeleeft.

Het stripmuseum is altijd overwegend francofoon geweest en gebleven. Dat mag niet verbazen. De grote namen in de Europese strip waren nu eenmaal Franstalige Belgen. Wat in de ooit razend populaire stripbladen Kuifje en Robbedoes verscheen, was voor 85 procent vertaald (en in het geval van Robbedoes prachtig vertaald) uit het Frans.

De Vlaamse strip hinkte achterop, bleef steken in goedverkopende maar risicoloze reeksen als Suske & Wiske en Nero, terwijl de Europese strip (toen nog bijna louter Franstalig) grafisch en inhoudelijk geweldige sprongen voorwaarts maakte.

Waardoor de Vlaamse strip in Brussel minder aan bod kwam. In wezen viel daar niets op af te dingen. De Vlaamse strip, de Vlaamse humor, bleek onvertaalbaar, ‘paste’ niet in het profiel.

Met de komst van het kleine Marc Sleen Museum, aan de overkant van de Zandstraat, is begin dit jaar die scheve situatie enigszins rechtgezet.

En dat de nieuwe generatie Vlaams striptalent, die begin dit jaar prominent aanwezig was op het Walhalla van de internationale strip – het festival van Angoulème – ook in het Stripmuseum te bewonderen viel, is een goed teken. Maar in de stripwinkel ‘Slumberland’, op het gelijkvloers van het BCB, moet je met een vergrootglas naar hun albums zoeken. Er is nog werk.

Louis Van Dievel