"Wo haben Sie das Rauschgift versteckt?"

"Of ik Duits sprak?" Het was oktober 1989, 9.15 uur. Ik werkte sinds mei van dat jaar op de nieuwsdienst van de VTM. Ja, ik was een renegaat. De vraag naar mijn kennis van het Duits, die ik met een argeloos ja beantwoordde, had zware gevolgen. Nog voor het donker was zat ik op een hotelkamer aan de rand van Berlijn, niet zo ver van luchthaven Tegel, naar het nieuws op de televisie van de DDR te kijken.

Ook in Vilvoorde leefde het besef dat de Europese geschiedenis op een kantelpunt was beland. Er was de zomerexodus van DDR-burgers naar Hongarije en zo verder naar het Westen geweest. En in de Deutsche Demokratische Republik zelf kwamen de burgers op straat. Na gedane arbeid weliswaar en met de protestantse kerken als uitvalsbasis.

“Wir sind das Volk”, werd er geroepen. Een eenvoudige roep om meer democratie was het, een smeekbede om een hoger levenspeil. En later “Wir bleiben hier”, een duidelijke waarschuwing aan de verkalkte leiders. Ze wilden niet vluchten, ze wilden blijven, maar dan in een vrij land. De DDR-bonzen beantwoordden het geweldloze volksverzet aanvankelijk met de wapenstok, met arrestaties, met verdachtmakingen.

Maar al gauw bleek dat de DDR in staat van ontbinding was. De SED, de communistische eenheidspartij, stond met open mond en machteloos toe te kijken. De partij had het nog zo goed voor gehad met het ondankbare volk.

Dat zag ik op de DDR-televisie. De ene partijbons die in de plaats kwam van de andere. De starre, stuurse, zure Honecker die vervangen werd door Egon Krenz met zijn plastic glimlach. Het was niet meer dan een vermomming. Er werden kleine toegevingen gedaan, in de hoop dat die de wind uit de zeilen van de protestbeweging zouden halen. IJdele hoop, zo bleek enkele weken later. De dijkbreuk viel niet meer te herstellen. Maar dat wisten we in oktober 1989 nog niet.

Ik was daar alleen, in Berlijn, zonder cameraploeg bedoel ik. Vilvoorde wilde nog wat de kat uit de boom kijken. Ik keek naar de televisie, las alle kranten, en maakte telefonisch verslagen waarop dan bij VTM beeld van de persagentschappen werd “geplakt”. Maar als het enigszins kon, nam ik een taxi naar de Muur.

Want daar zinderde het van nog niet ingeloste verwachtingen. Ik probeerde zonder visum de Ostgrenz over te steken aan Checkpoint Charlie. In theorie kon dat. Maar in de praktijk zat ik daar in het helverlichte wachtlokaal urenlang mijn tijd te verdoen. De agenten van de Grenzschutz en de Vopos waren nog hun arrogante zelve. Ook dat zou gauw veranderen.

Op een avond, het was al donker, wilde ik net van de Friedrichstrasse naar het Novotel terugkeren, toen de West-Berlijnse politie aan een drugsrazzia begon. Er was vlakbij een klein parkje waar gedeald werd. Hoe hard ik ook riep dat ik een eerzaam burger uit België was en zelfs een journalist, hoe hard ik mij ook verzette tegen de in leer gehulde arm der wet, ik werd met dealers en junks, Duitsers en Turken en Polen, in een politiebus gestopt.

Ze zouden op het bureau wel zien wie ik was. Helaas raakte ik in de worsteling mijn pas kwijt. Meer had ik niet op zak: een reispas en veertig D-Mark voor de taxi. Het zou me zuur opbreken. Twee uur later zat ik spiernaakt in een ijzeren kooi , onder hard TL-licht. Ik was verhoord. Ik was lichamelijk “gevisiteerd”, zo wordt dat geloof ik gezegd.

“Wo haben Sie das Rauschgift versteckt”, had een politieman met een slechte adem in mijn gezicht gebruld. Waarna hij plastic handschoenen had aangetrokken.

Ik had geen identiteit en dus was ik een niemand. De Duitsers zijn daar altijd nogal streng in geweest. Bij mij in de ijzeren kooi zaten een stel junks ziek te wezen. Het stonk er naar braaksel en uitwerpselen.

Rond 2 uur ’s nachts kwam mijn pas te voorschijn. De chauffeur van de politiebus had die gevonden toen hij zijn voertuig schoonmaakte. Om 3 uur ’s nachts werd ik vrijgelaten, niet zonder een strenge vermaning te hebben gekregen. Waar mijn 40 D-Mark gebleven waren, kon niemand mij vertellen. Ik kon te voet terug naar het Novotel. Twee uur stappen, met een pijnlijk achterste. In Vilvoorde hadden ze die avond wel tien keer naar mijn hotelkamer gebeld. Waar dat verslag bleef. Wat ik uitspookte. Maar dat vernam ik pas ’s ochtends, na een bijzonder korte nachtrust. Gsm’s bestonden nog niet in 1989.

Louis Van Dievel