"Goedkoop gaan eten in Oost-Duitsland"

De eerste keer dat ik met de Berlijnse Muur te maken kreeg was in 1978. Ik was nog student, en bracht voor het eerst een bezoek aan West-Berlijn om daar deel te nemen aan een conferentie over de Oost-Duitse dissident Rudolf Bahro.

Tijdens de middagpauze wou ik ‘even oversteken’ naar Oost-Berlijn. Om dat eens gezien te hebben natuurlijk, maar in de eerste plaats omdat een maaltijd nuttigen in het oosten goedkoper was. Student, weet je wel.

Niet-Duitsers moesten voor de oversteek de fameuze grenspost Checkpoint Charlie gebruiken. Een indrukwekkend complex, waar auto’s langzaam en in slalom tot bij de wachters reden, en voetgangers via afspanningen een gebouwtje werden binnengeloodst voor de controles. Wist ik veel.

Grenzen kende ik wel, er waren er toen nog tussen alle landen in Europa, maar dit soort taferelen waren nieuw voor mij. Niet alleen neusden de grenswachters uitgebreid in de identiteitspapieren, bezoekers werden ook verplicht een flinke som D-Marken in elders waardeloze Ostmarken om te wisselen (daar ging mijn voordeel van een goedkoop etentje), en bovendien moest alle bagage open voor een grondige inspectie.

Mijn bloed trok weg. Er stak nog een map met conferentiemateriaal over de Oost-Duitse dissident in mijn tas. Deskundig viste de grenswachter het verdachte materiaal uit de rest van mijn papieren. Mee naar achter. Achter, dat was een soort cel, mét ondervrager. In mijn pigeon-Duits antwoordde ik haperend maar gedwee op alle vragen. Ik was er gloeiend bij. Crimineel.
 

Na een uur of wat viel het verdict: terug naar West-Berlijn. Ach wat, het was al laat, en mijn honger en zin om het oosten van de stad te zien waren over. Maar toch, misschien is mijn fascinatie voor Oost-Europa toen wel gekiemd.

Elf jaar later, aan een ontbijttafel in een Moskous hotel. Mijn goede vriend Jan Balliauw kwam opgewonden met het ‘breaking news’: de Muur was gevallen. 10 november 1989, de ochtend na de historische Berlijnse nacht. Ongeloof veranderde al snel in drang: erbij zijn.

Het weekend daarop trok ik met een paar vrienden naar Berlijn. Hectische scènes, feestvreugde overal, wildvreemden die elkaar in de armen vielen, gratis soep en koffie, stinkende en driftig toeterende Trabanten die zich tussen de Mercedessen en de BMW’s wurmden. En natuurlijk: de muurspechten. Zelf had ik geen hamertje of beiteltje, maar een vriendelijke hand stopte me een kleurig klein stuk beton toe. Ik koester het, tot vandaag.

Het oosten van de stad waar ik een decennium eerder zo brutaal werd buitengehouden, ontving ons nu met open armen. Glimlachende geüniformeerde lieden bevolkten het in mijn geheugen gegrifte Checkpoint Charlie. Formaliteit. En dan, een tocht van grijs gebouw naar grijs gebouw.

De uitgelaten sfeer compenseerde het gebrek aan kleur. Betogingen voor en tegen vanalles en nog wat maakten de revolutiestemming compleet.

Amper een jaar later. De Pariser Platz voor de Brandenburgse Poort en het plein voor de Bundestag waren omgetoverd in een mensenzee met golven van zwart-rood-gele vlaggen. De eenmaking was er razendsnel gekomen, de viering verliep uitbundig. De emoties van ‘der Mauerfall’ werden nog eens overgedaan, en allesbehalve dunnetjes.

Geschiedenis proeven, het is iets waar ik altijd van genoten heb. In Berlijn was het op dat vlak een wellustige overdaad.

 

Stefan Blommaert