Tibet, er zijn er die minder afleveren

Het bij uitstek grappigste plaatje in De Avonturen van Chick Bill staat midden onderaan op bladzijde 15 van Het Geheim Wapen van Kid Ordinn (1979). Het gaat om één van de allerkleinste plaatjes waarop de kierewiete hulpsheriff van Wood City ooit werd afgebeeld.

De “nieuwe Paganini” die hij zich inbeeldt te zijn (maar wiens oorverdovend snarengejank om heel andere kwaliteiten wordt ingeschakeld door een lepe boevenbende) stapt boos op bij Dog Bull, die zijn muzikale gaven maar matig waardeert. Hij trekt de wijde wereld in om heel Europa aan zijn voeten te krijgen, en ziet de roem al aanstromen. Met de onsterfelijke bedenking: “Als ik eenmaal wat geld bij elkaar heb koop ik me een cello, en als ik nog meer geld heb een contrabas !”.

Dan volgt het ultieme plaatje, zo geplukt uit een westernfilm: bergen op de achtergrond, cactussen links en rechts, woestijngruis, en een minuskule ruiter die uit de verte aanrijdt in een stofwolkje: Ordinn heft vanuit het zadel de handen triomfantelijk ten hemel en roept in vervoering: “Met een contrabas zal ik de grootste violist ter wereld zijn !” – met de bijbedenking: “Wat lijkt de sheriff opeens klein”.

Die grenzeloze naïviteit, die onstelpbare goedheid van het simpele brein, de dapperheid van de onnozele, dat is het waarom ik Kid Ordinn voor zijn tekenaar hield en hou. Een man zonder achterdocht en met een aanstekelijk, dwaas en gelukzalig plezier om de mondhoeken.

Ik zag Tibet terug in een aflevering van Echo met Bob Van Bael uit 1965. Hij speelde daar, argeloos en pretentieloos, de woordvoerder van 6 FF, een groep Franse Pop Artartiesten. “6 FF, dat zijn zes faux faitnéants”, lichtte hij bedremmeld toe. “En daar komen wij tegen op. Wij, kunstenaars, zijn geen luiwammessen. Wij werken verdomde hard”. Zo hard dat het allemaal opgezet spel bleek om de gemeente Sint-Gillis zo ver te krijgen een gratis etentje en veel drank te schenken aan de bende van zes – die wonderwel overeenkwam met de harde kern van striptekenaars die bij Lombard het schone weer maakten: Tibet, Goscinny, Uderzo, Graton (allemaal Fransen, die in België emplooi hadden gevonden), maar ook Greg en Franquin – op Graton na, wielewuiten van de bovenste plank (maar Michel Vaillant-tekenaar Graton had wel de grootste vraatzucht en het beste weerstandsvermogen). En Franquin droeg wel het imago van een sombere zwartkijker mee, maar dat was schijn.

“Een hoogst vrolijk baaske”, vertrouwde Marvano (Mark Vanoppen, tekenaar van onder meer De Eeuwige Oorlog, Het Kleine Afscheid en, o ironie Graton !, straks ook Grand Prix) mij toe. Even slikt hij aan de telefoon. “Het raakt me toch meer dan ik dacht, die beroerte van Tibet. Weet je, ik herinner me zijn eerste hartaanval. Dany – Daniel Henrotin - was erbij, de tekenaar van Olivier Rameau, in het Nederlands Rozebottel, en decortekenaar voor Rik Ringers, met zijn vrouw Marcy.

Iedereen dacht dat Tibet weer de onnozele hals uithing en de draak stak met een nieuw model. Want hij was een kei in karikaturen, je moet maar even zijn Tibetière uit 1971-2 bekijken, even sterk als Gal, portretten van filmsterren, sportlui, de primadonna’s van de media, of uit zijn eigen omgeving bij de stripauteurs.

Maar nee, de linkerhelft van zijn gezicht verlamde, en het duurde een tijd voor het hilarisch gelach overging in het besef dat er wel iets serieus met hem aan de hand was. Kostte hem vier overbruggingen en die zijn hem nu sowieso fataal geworden”. Marvano valt stil. Hij heeft 25 jaar op dezelfde redaktie gewerkt als Tibet.

Dan herpakt hij zich, met hoorbare binnenpretjes. “Herinner je je nog Gangsters op de France? Deel 6 van de detectivereeks Rik Ringers? De nevenfiguren zijn een ode aan zijn karikaturen. Treden op het cruiseschip twee, rivaliserende, zangers op Johnny Halliday en Salvatore Adamo. Ook twee geweken figuren, Adamo in, Johnny uit. Klasse !”

Diezelfde Adamo heeft trouwens het voorwoord geschreven voor zijn autobiografie, Qui fait peur à maman? (2007). Tibet haalt aan hoe hij als vijfjarige knaap, geboren in Marseille, mee naar Brussel verhuisde, als zestienjarige zijn stoute schoenen aantrok en ging aankloppen bij Mickey Magazine. Hij mocht er helpen in de tekenstudio – “En da’s ook de reden waarom ik geen Nederlands spreek”, erkende hij ruiterlijk, “Ik was lui en gedreven, ik kon alleen maar tekenen. En daar heb ik ook mijn boterham mee verdiend, vrijwel zestig jaar in dienst van Lombard, het is geen kattepis”.

Eén keer heeft hij een slippertje gemaakt, op hoge leeftijd dan nog. In 2006 verscheen bij Glénat het eerste deel van La Révolte d’Aldo Remy.

Vertalen liet hij altijd aan iemand anders over. Aan zijn vrouw Nicole, aan Bob De Moor, aan de Doornikzaan André-Paul Duchâteau, met Jean Van Hamme wellicht de meest vruchtbare scenarist van de Belgische stripscène. (Al is dat niet gelukt voor zijn autobiografie, uitgeverij L’Esprit des Péninsules ging op de fles nog voor er van vertaling sprake kon zijn.

“En dat deed hem pijn”, zegt Marvano, “Wellicht daarom dat wij naar elkaar toegroeiden. Ik had hem gezegd hoe roerend ik zijn stukjes vond, terwijl de pers het boekje totaal negeerde.” Ook voor zijn enige roman heeft Tibet geen uitgever gevonden, hopelijk wordt die postuum nog uitgebracht).

Nochtans was vertaling voor de Belgische markt altijd een pluspunt. Als manusje-van-alles moest hij inspringen waar nodig. Zo vertelt hij met smaak in Stripgids hoe hij tegen de sterren op bladzijden van Willy Vandersteen (Tijl Uylenspiegel) moest inkten, omdat Willy het tempo van Hergé niet kon volgen.

Tibets eerste eigen reeks, Dave O’Flynn (1949, de Amerikaanse comics waren nog het te volgen voorbeeld, zoals E.P. Jacobs zich liet inspireren door Flash Gordon), verscheen in het weekblad Heroic-Albums, zeven avonturen lang, tot 1951.

Twee ervan verschenen ook in het Nederlands. In dat verhaal wordt de figuur Rik Ringers al geboren, wat Tibet zelf onderstreept met nieuwe covers bij de tweedelige heruitgave in 1979 (Détective de Choc, drie verhalen, en Face au Crime, vier verhalen, Uitgeverij Chlorophylle).

De kuif, de omslag van de broekzoom, de hoekige kin, de ampele verwijzing naar Claude François als vaag model (grappig dat ook Dany die gebruikt als inspiratie voor Rozebottel), er zit continuïteit in Tibets levenswerk, ook na 76 albums – en zoals het hoort bij Kuifje, het blad voor lezers van 7 tot 77 jaar, verschijnt postuum in maart nummer 77.

Jean Auquier vatte het grinnikend samen bij de opening van de tentoonstelling "35 jaar Rik Ringers" in het Centrum voor het Belgisch Stripverhaal van 8 tot 20 oktober 1991: “Les classiques de la confection masculine ne se démodent jamais”. Altijd draagt Rik Ringers zijn gespikkeld jasje, zijn trui, en zijn “trench mastic” – zoals de gabardine, de bruine broek en de pijp van Mortimer onafscheidelijk zijn, ook in de creaties lang na de dood van de meester.

Tibet pasticheerde met de jaren steeds meer zijn eigen kompanen en zichzelf, en zoals Duchâteau toegaf, het mysterie nam steeds meer de plaats in van het pure misdaadgenre.

De overtrokken zelfportretten duiken geregeld op, het meest nadrukkelijk allicht in Rik Ringers 62, Stripmoorden (2000). Een bespiegeling over naijver in het eigen stripvak kon niet zonder zichzelf en zijn scenarist mee in beeld te brengen.

Tibet en Duchâteau laten Rik Ringers zijn eigen albums signeren op blz. 35 onderaan, met de Gotlibachtige metaverwijzing: “Het wordt het onderwerp van ons volgende album”, terwijl stripauteurs en hun hoofdfiguur zelf al betrokken zijn in een aanslagenreeks. Koude humor zeker?

Als tegengewicht tegen de steeds duisterder krachten waartegen Rik Ringers en commissaris Baerdemakers het moeten opnemen. De weerwolf in Het Monster van Zwartlo. De ‘martianen’ in Buitenaardse wezens vallen aan! Frankenstein in Het Rode Spoor, De Vijand door de Eeuwen heen, De Geest van de Alchemist. Dracula in De Nacht der Vampiers. Het behekste huis in Het Huis van de Wraak. Het Beest in Het Beest van de Apocalyps. En tutti quanti.

“De onmogelijke misdaad werd onze obsessie”, zei Duchâteau (die zelf al sinds zijn vijftiende verslaafd raakte aan het misdaadgenre, en nu het diepst is geraakt door het verlies van zijn jonge collega van '78. Duchâteau wordt inmiddels 85). “De fantastiek is toch onlosmakelijk verbonden met ons land ? met onze grootste vertellers ? Jean Ray, Michel de Ghelderode, Thomas Owen”.

Niet alleen inhoudelijk, ook in stijl blonken de 6 FF uit door zwier en eigenheid. De essentie van hun tekenstijl is beweging. En de suggestie daarvan. Met als enige uitzondering, alweer, Jean Graton – die wel de illusie van snelheid bij zijn sportwagens kon wekken, maar bleef vastzitten in een verschrikkelijk houterige weergave van menselijke figuren.

Leg daar Franquins Krassers zenuwinzinkingen of De Mesmaekers (Jidéhem !) woede-aanvallen na de zoveelste verbrodde contrakten naast, neem bij Goscinny de frontale aanval van Asterix en Obelix tegen de Romeinse falanksen, bekijk de schommelende souplesse van Gregs Olivier Blunder en het verschil tussen een geposeerd foto-album en een levend, draaiend verhaal is meteen duidelijk.

Mogelijk verklaart deze gave (en de onkunde van anderen) de weerzin die Tibet zijn hele leven gevoeld heeft voor de hoofdredacteur van Kuifje, de Brusselaar Jean-Luc Vernal, auteur van onder meer Ian Kalédine en Jugurtha. Hun verhouding bleef onderkoeld, strikt zakelijk en had niks vandoen met de oude vriendenclub die oorspronkelijk de sucsessen van het weekblad aaneen had geregen.

Waardering voor Tibet was er anders genoeg. Hij lag erg goed in de groep door zijn sociale ingesteldheid en zijn onophoudelijke fratsen. Zijn geniale karikaturen leverden hem bijbaantjes op bij de televisie, in België en Zwitserland.

Sinds 1980 werd hij door zijn collega’s verkozen tot voorzitter van de upCHIC, de beroepsbond van Franstalige beeldverhalen- en cartoontekenaars. Bij Lombard volgde hij Bob De Moor op als artistiek directeur in 1992 (terwijl zijn spitsbroeder Duchâteau literair directeur werd, en ook verantwoordelijke voor de detectivereeksen bij uitgeverij Lefrancq).

Respect kreeg hij ook in bredere kring. De Post bracht in 1998 een postzegel uit van Chick Bill en Rik Ringers. De Stad Brussel benoemde hem tot ereburger in 2005, toen Tibet 50 jaar Rik Ringers tekende. In Frankrijk benoemde Jack Lang hem in 2000 tot ridder in de kunsten in letteren, zes jaar later werd hij bevorderd tot officier. Het stadje Roquebrune-sur-Argens in de Zuid-Franse Var, waar hij vaak verbleef en ook stierf, noemde een straat naar zijn stripfiguur, de Boulevard Ric Hochet.

Maar het waren toch vooral de tentoonstellingen en gedenkboeken die een ware hulde brachten aan Tibets ongeëvenaarde verbeelding en tekentalent.

Uitgeverij Lombard bracht hem een hommage met de uitgave van Tibet, la Fureur de Rire (2000) onder redactie van encyclopedist P. Gaumer, met heel wat ongepubliceerd materiaal.

Het zou ook de titel worden van een tentoonstelling in Parijs een jaar later, ter gelegenheid van het afsluiten van het Europees voorzitterschap door België. Passender ironie is zelden getoond. “Tibet, vijftig jaar verbeten lachen”, vatte beter dan de conventie van Laken de eigenheid van zijn opvangland samen – een glimlach van Ensor, onhandig gestoethaspel als dat van Kid Ordinn, kleinburgerlijke blaaskakerij als die van Dog Bull en commissaris Baerdemakers, seuterige devotie als die van nichtje Nadine (Sylvie Vartan ?), en surrealistisch fetisjisme als in de ongelooflijke avonturen van Rik Ringers. Hij had zijn beulemansen perfect doorgrond. En deed dapper mee.

Het allermooiste, en meest b(ek)lijvende, is niettemin de muurschildering van 30 m² die in januari 1992 door Oreopoulos en Vandegeerde werd aangebracht op een uitstekend pandje in de Brusselse Bijstandsstraat.

Je ziet Rik Ringers aan de dakgoot hangen om de sprong te wagen naar het open raam, terwijl beneden Baerdemakers met zijn hondje beduusd opkijken naar de waaghalzerij die onze journalist (La Rafale)-speurder alweer uithaalt.

Kinderlijke verwondering, net zoals zijn pennaam. De legende wil dat Tibet niks te maken heeft met Tibet (dat van de dalai Lama), maar met het spraakgebrek van zijn oudere broertje – die het altijd over ‘kleine be’t’ had, “le ‘tit be’”. Si non e vero, e ben trovato.

Terzake doet het niet meer. Tibet zelf is de legende ingetreden. Na 68 "Kleine Poedels" en 77 "Ringersen". Er zijn er die minder afleveren in één leven.

Lukas De VOs