Gevangenisfilm is hipper dan ooit

Na "Un prophète" verschijnt er opnieuw een Franse gevangenisfilm in de bioscoop. De detentiecentra overal ter wereld zijn een inspiratiebron voor verschillende filmmakers. Ook Duitse en Roemeense regisseurs richten hun camera op gevangenissen.

In haar uitstekende debuutfilm "Qu’un seul tienne et les autres suivront" vertelt de jonge Franse scenariste-cineaste Léa Fehner drie verhalen. Er is het verhaal van Zorah, een Algerijnse moeder die naar Frankrijk reist omdat ze de moordenaar van haar zoon in de ogen wil kijken. Er is de vijftienjarige Laure, die haar vriendje in de gevangenis wil bezoeken, maar die eerst, zoals wettelijk voorgeschreven, een volwassene moet vinden om haar te begeleiden. En er is de jonge man Stéphane, die aanstalten maakt om tegen betaling een gangster vrij te krijgen door tijdens een bezoek aan de gevangenis zijn plaats in te nemen.

Maar er is eigenlijk nog een vierde verhaal, dat van de spreekkamer. Dat grensgebied waar bezoekers en gevangenen elkaar kunnen ontmoeten. En waar de drie andere verhalen uiteindelijk zullen samenkomen.

Gevraagd waarom ze dit gevangenisverhaal wilde vertellen, antwoordde Léa Fehner: “Ik maak mij soms de bedenking dat er steeds meer gevangenissen komen en dat ze steeds meer onzichtbaar worden, omdat ze buiten de steden worden gebouwd.

Maar voor mij is een gevangenis ook een plaats waar onze democratie tegen haar eigen grenzen opbotst. En ik vind het belangrijk dat dergelijke plaatsen niet buiten ons blikveld blijven.” En zij verwijst daarbij meteen naar de in Cannes bekroonde gevangenisfilm "Un prophète" van regisseur Jacques Audiard, waarin volgens haar "op zijn minst een tipje van de sluier wordt opgelicht".

Gevangen in het eigen lichaam

Toeval of niet, maar op de Berlinale, die momenteel haar 60e editie beleeft, blijkt er geen gebrek te zijn aan gevangenisfilms. Meest in het oog springende voorbeeld is natuurlijk "Shutter Island", de psychologische thriller van grootmeester Martin Scorsese, waarin Leonardo DiCaprio als politiedetective Teddy Daniels naar het Ashecliffe Hospital op het eiland van de titel wordt geroepen.

Dat is, anno 1954, een instelling voor krankzinnige criminelen, waar een vrouw, die daar opgesloten werd omdat ze haar kinderen heeft vermoord, spoorloos verdwenen zou zijn. Aankomen op het eiland is niet zo een probleem, ook al heeft politieman Daniels duidelijk last van zeeziekte. Het is trouwens grappig om Leonardo "Titanic" DiCaprio als openingszin te horen vertellen dat hij het niet zo op water begrepen heeft. Maar vermits er even later een zware storm losbreekt, moet Daniels langer dan voorzien op dat eiland en dus in die gevangenis blijven rondhangen...

De Roemeense film "Eu cand vreau sa fluier, fluier/If I want to whistle, I whistle" van regisseur Florin Serban speelt zich bijna integraal af in een gevangenis voor jonge delinquenten. Silviu (sterk debuut van George Pistereanu) is nog maar vijf dagen verwijderd van zijn vrijlating. Maar dan verneemt hij dat zijn moeder, die reeds lang uit zijn leven verdwenen was, even teruggekeerd is uit Italië om haar jongste zoontje, dat in feite door zijn oudere broer was opgevoed, met haar mee te nemen. Bij Silviu slaan de stoppen door en hij gijzelt een sociale assistente...

In de Duits-Oostenrijkse film "Der Rauber" van Benjamin Heisenberg wordt het (op ware feiten gebaseerde) verhaal verteld van een bankrover, die ook een getalenteerd marathonloper bleek te zijn. In de gevangenis zien we hem fanatiek rondjes lopen op het binnenplein en in zijn cel blijkt hij zelfs over zo’n looptoestel te beschikken.

Eenmaal vrij begint hij opnieuw met de twee dingen die hij blijkbaar niet kan laten, namelijk marathons lopen (en prijzen winnen), maar ook banken overvallen, waarbij de uitdrukking "voor de politie op de loop gaan" in zijn geval meer dan eens letterlijk mag genomen worden!

Van een echte gevangenis, met gesloten deuren en tralies, is weliswaar geen sprake in de Japanse film "Caterpillar" van regisseur Koji Wakamatsu. Maar de beide hoofdpersonages zitten wel degelijk gevangen. Dat is in eerste instantie het geval voor soldaat Kyuzo, die in 1940 uit de Japans-Chinese oorlog terugkeert. Levend, dat wel, maar hoe? Zijn gelaat is verminkt, zijn beide armen en benen zijn geamputeerd en hij kan zelfs niet meer spreken, alleen maar rauwe geluiden produceren. In zijn dorp wordt de gedecoreerde soldaat als een held onthaald. Hij wordt zelfs een Levende Oorlogsgod genoemd! Dat betekent ook dat de met de Japanse Keizer dwepende dorpelingen van zijn vrouw Shigero verwachten dat zij zich dag en nacht over haar verminkte echtgenoot, die op een bijna dierlijke manier in eten en seks geïnteresseerd is, zou blijven ontfermen. Als voorbeeld voor de andere soldatenvrouwen. Net zoals Kyuzo gevangen zit in een lichaam dat nog weinig meer is dan een homp vlees, zit Shigero dus gevangen in haar strikt genormeerde verplichtingen als huisvrouw. En dat allemaal tot meerdere eer en glorie van de Keizer.

Jan Temmerman