Oudste stadsgids van het land is 95

Langer moeten werken: voor sommigen is het een gruwelijke gedachte, anderen kunnen zich juist geen leven voorstellen dat niét actief wordt ingevuld. Bij die laatsten hoort Anna Vuylsteke, een kwieke, gedecideerde dame uit Diksmuide. Ze vierde onlangs haar 95e verjaardag, maar is nog altijd onvermoeibaar aan de slag als stadsgids.

Anna Vuylsteke werd vorig jaar benoemd tot ereburger van Diksmuide, omdat ze al bijna 40 jaar lang toeristen op sleeptouw neemt in haar geboortestreek. Na de dood van haar man, een huisschilder, vormde ze haar woning op de Grote Markt om tot een soort VVV-kantoortje.

“Ik moest iets om handen hebben, stilzitten is niets voor mij”, zegt ze. Later, toen alles professioneler moest, werd het overgenomen door de Dienst voor Toerisme, maar Anna bleef een toeristische ambassadrice van haar stad. Ze gidste groepen rond langs plekken vol (oorlogs)geschiedenis. Niemand was daar beter voor geknipt dan zij, want Anna is zelf een kind van de oorlog.

In de winter van 1915 werd ze geboren in een schuur in Alveringem, op een hoop lege steenkoolzakken, tussen soldaten van het Belgisch leger. “Ik heb mijn vader van het front gered”, vertelt ze. “Ik was de vierde thuis, en een huisvader met vier kinderen moest niet vechten." Het gezin was een paar maanden eerder, in oktober 1914, gevlucht uit het platgebombardeerde Diksmuide. Amper enkele weken na Anna’s geboorte trokken ze alweer verder, te voet naar Calais, waar ze inscheepten naar Londen.

"Diksmuide? dat bestaat niet meer"

Als oorlogsvluchtelingen bleven ze tot 1919 in Engeland. “Bij onze terugkeer lieten we de douanier in Oostende weten dat we naar Diksmuide gingen. “Diksmuide? Dat bestaat niet meer”, was zijn antwoord." Anna vertelt het verhaal in een noodbarak aan de voet van de IJzertoren.

De houten barak, een nagenoeg authentiek exemplaar, werd hier vier jaar geleden neergepoot om de bezoekers van het IJzertoren Vredesmuseum een beeld te geven van hoe de inwoners van de Westhoek vlak na de oorlog moesten leven. In de streek stond niets meer overeind. Tijdens de heropbouw kregen duizenden gezinnen onderdak in noodwoningen.

Ook de zeskoppige familie Vuylsteke woonde drie jaar lang in een piepkleine, vochtige barak. Anna ging in die periode net naar school, en heeft nog levendige herinneringen aan die tijd. Als ze anekdotes vertelt, richt ze zich vooral tot de jeugdige bezoekers - het zijn er wel een aantal in deze krokusvakantie.

Nu de noodbarak net onder een fijn laagje sneeuw ligt, is het net iets makkelijker om zich iets voor te stellen bij Anna’s herinneringen aan de vrieskou van weleer. “In onze barak was het zo vochtig dat we ’s winters bij het wakker worden de vastgevroren dekens van onze kin moesten trekken”, vertelt ze met zin voor drama.

"Niet trunten, dat zei mijn moeder altijd"

Anna Vuylsteke is een vat vol anekdotes. Ze neemt haar rol als een van de laatste getuigen van de nasleep van de Eerste Wereldoorlog erg ter harte. “Soms schiet haar nog iets te binnen dat ze dringend wil vertellen”, zegt museumconservator Peter Verplancke. “Dan komt ze van haar huis op de Grote Markt naar hier gewandeld. Of zeg maar gemarcheerd, want er zit nog altijd snee op”. “Dat komt ervan als je als pasgeborene hebt moeten vluchten met de bommen op je hielen”, verklaart Anna zelf.

Het museum schakelt Anna nog vooral in om uitleg te geven over het leven in de noodbarakken. Als ervaringsdeskundige biedt haar verslag een echte meerwaarde. Zelf blijft ze liever veel langer aan het woord, ze heeft immers zoveel verhalen te vertellen. Als ze op dreef is, is ze niet te houden en leidt ze bezoekers ook graag en met veel autoriteit rond in de rest van het museum.

Het museumpersoneel, dat zijn oudste stadsgids goed soigneert, moet haar intomen, want zelf lijkt Anna Vuylsteke haar hoogbejaarde leeftijd wel eens over het hoofd te zien. Tijdens haar uitleg in de krappe noodbarak, samengepakt met bezoekers, wordt ze even onwel. Een paar minuten gaat ze zitten, om dan luidkeels te verkondigen “dat het al over is”. “Niet trunten, zei mijn moeder altijd, en dat doé ik ook niet”, klinkt het met West-Vlaamse kranigheid.

Sara Van Poucke