"Zo mooi om renners van mijn hof te zien rijden"

In de aanloop naar de Ronde van Vlaanderen zijn onze contreien heel even het centrum van de wereld. Al een week lang cirkelt de wielerkaravaan rond de heuvels en kasseien van de Vlaamse Ardennen, tot zondag de echte apotheose volgt. Maar waar houden al die renners zich schuil als ze niét op de fiets zitten? Velen logeren in hotels in het Gentse, zo blijkt. Een hotelletje dat sinds jaar en dag wielerteams over de vloer krijgt, is Het Lepelbed in Melle. Patron Norbert is een koersfan in hart en nieren. "Als hier geen ploegen logeren, ben ik doodongelukkig".

Veel wielerploegen logeren in de grote hotelketens. Het Lepelbed daarentegen is een gemoedelijk familiepension dat in de loop der jaren een reputatie heeft opgebouwd als sporthotel. Het wordt uitgebaat door vader Norbert De Ganck, die zich lachend voorstelt als “Der Alte”, en door zijn dochter Cathy en zoon Bart.

De contacten met het wielermilieu dankt Het Lepelbed aan vader Norbert. Nadat hij lang als bierhandelaar had gewerkt, begon hij jaren geleden een hotel in Aalst. De manager van Eddy Merckx kwam er graag over de vloer, en in zijn spoor logeerden er in het voorjaar vaak wielerploegen.

Van het een kwam het ander. Begin jaren 90 reisde Norbert als kok mee naar buitenlandse rittenwedstrijden met ploegen als Carrera en Gatorade, waar Claudio Chiappucci en Gianni Bugno toen het mooie weer maakten.

Twaalf jaar geleden nam de familie De Ganck het hotel in Melle over. Gelegen op nauwelijks een paar honderd meter van het stadion van AA Gent, is het de ideale uitvalsbasis voor een sporthotel. De Gantoise legt zijn testspelers hier te slapen, en een geblesseerde Alin Stoica logeerde zelfs maandenlang in Het Lepelbed toen hij moest revalideren.

"Ik geef de renners het thuisgevoel dat ze zo lang moeten missen"

Maar Norberts grote liefde blijft het wielrennen. Elk jaar logeren hier profploegen die deelnemen aan de Vlaamse voorjaarsklassiekers. Dit jaar is het Zwitserse team Cervélo voor het tweede jaar op rij te gast, de ploeg van Thor Hushovd, Heinrich Haussler en Andreas Klier. Norbert verwelkomt me dan ook in het zwarte shirt van de Cervéloploeg.

De renners hebben net ontbeten. Dochter Cathy ruimt de tafel af. Vruchtensap, broodjes, cornflakes en müsli staan nog op het buffet. Nee, wielrenners eten dus niet elke ochtend pasta.

“Er wordt nogal veel heisa gemaakt over dat wielrennersdieet”, vindt Norbert. “In feite is het eenvoudig: het mag niet te vet of te zwaar zijn, en vooral: er moet regelmaat zijn. Varkensvlees komt nooit op tafel wegens te vet. Eén keer per week staat er rood vlees op het menu, maar voor de rest is het vooral kalkoen, kip en vis. Italianen eten pasta, maar bij mij komt er vooral rijst op tafel”.

Natuurlijk heeft elke renner zijn eigen voorkeuren, en die zijn niet altijd even comme il faut. Zo was Laurent Jalabert het gewend om ’s ochtends én ’s avonds een omelet te eten. Norbert vroeg hem bezorgd of dat nu niet al te eentonig was.

“Ik vroeg hem of ik niets eens wat anders moest maken, maar nee, dat was nergens voor nodig”. Ook Carlos Sastre houdt van een eitje, maar hij ziet het liever geklutst in een glaasje porto.

Norbert vat het simpel samen: “De mechaniciens zorgen voor de fietsen, de verzorgers voor de benen en ik voor de maag”. Ivan Basso noemde hem “de beste kok ter wereld”. “Ik heb hem bedankt voor het compliment, maar dat is niet waar. Waar ik vooral belang aan hecht, is dat de renners op tijd kunnen eten, dat ze niet te lang moeten wachten”. En nog belangrijker: “Ik geef hen het thuisgevoel dat ze zoveel weken lang moeten missen”.

“Vanaf zaterdag begint de spanning te stijgen”

Het familiehotel ademt inderdaad een rustige, huiselijke sfeer. De Canadese renner Dominique Rollin zit in het salonnetje zijn e-mails te checken, terwijl anderen de trap op- en afstommelen.

Norbert leidt me even rond in het hotel. Langs de vrij kleine keuken, waar de renners gerust kunnen binnenvallen, en door de gangen die volhangen met ingekaderde wielertruitjes en grote foto’s.

In totaal zijn er negentien kamers. Een wielerploeg met een tiental renners, twee ploegdirecteurs, twee mechaniciens, twee verzorgers, een fysiotherapeut, een dokter en een persverantwoordelijke neemt al snel zowat het hele hotel in beslag. Vooral als later deze week ook nog eens de grote bonzen van het sponsorbedrijf op bezoek komen.

“Vanaf zaterdag voel je de spanning stijgen”, zegt Norbert. “De sponsor komt langs, de nervositeit neemt toe”. En dan komt zondag. D-Day. “Dan zijn we vóór vijf uur ’s ochtends al in de weer. Om zes uur moet alles klaar zijn: dan ontbijt de staf. Ze smeren stokbroden voor onderweg en maken de etenszakjes voor de renners klaar. En ja, daar zit nog altijd het klassieke rijsttaartje in. Om zeven uur nemen de renners plaats aan tafel”.

Als ze in hun tourbus naar de start in Brugge vertrekken, staat de hotelier hen uit te wuiven. “”Ik zet de champagne klaar”, zeg ik dan”. (Helaas, dit jaar is de kans dat Cervélo champagne zal mogen drinken niet groot: later op de dag zal worden aangekondigd dat Haussler en Klier na een valpartij afgelopen weekend verstek laten gaan voor zowel de Ronde van Vlaanderen als Parijs-Roubaix.)

Het loopt tegen elven, tijd voor de dagelijkse trainingsrit in de Zwalmstreek. De mechaniciens hebben de fietsen al klaargezet. Martin Reiber komt in zijn Duitse kampioenentrui naar beneden en poseert goedlachs voor de foto naast Norbert. “Vorsichtig sein”, zegt die vaderlijk als de coureur zich samen met zijn ploeggenoten in beweging zet. De zwarte truitjes draaien de steenweg op, richting Vlaamse Ardennen. “Voor mij zijn dit hoogdagen”, zegt Norbert terwijl hij hen nakijkt. “Een ploeg renners van mijn hof zien rijden, ja, dat geeft een goed gevoel”.

Sara Van Poucke

lees ook