Een land zonder koning

20 jaar geleden weigerde koning Boudewijn de abortuswet te ondertekenen, waarop de regering hem "tijdelijk in de onmogelijkheid stelde om te regeren". Radiojournalist Jos Bouveroux was, net als de rest van België, met verstomming geslagen.

Op woensdag 4 april 1990 had ik een dagje vrijaf genomen. Het waren hectische weken geweest: enkele dagen voordien had de Kamer met een wisselmeerderheid van socialisten, liberalen en groenen het abortusvoorstel definitief goedgekeurd. De christendemocraten waren diep gekrenkt, maar hadden er zich uiteindelijk bij neergelegd en de regering-Martens VIII niet doen vallen. De crisis leek afgewend, zo leek het toch. Vandaar mijn vrije dag.

Maar het ochtendnieuws op de radio sloeg in als een bom: de Koning had geweigerd om het abortusvoorstel te ondertekenen. De regering had Boudewijn tijdelijk "in de onmogelijkheid verklaard om te regeren" en had dan maar zelf het ontwerp ondertekend. Het hele land reageerde verbijsterd en wist niet goed te plaatsen wat er aan de hand was.

Ik schoot onmiddellijk in actie en vernam al vlug dat de toppolitici al sinds 30 maart wisten dat Koning Boudewijn met een "ernstig gewetensprobleem" kampte. In een brief aan premier Martens vroeg Boudewijn: "Is het normaal dat ik de enige Belgische burger ben die verplicht is tegen zijn geweten te handelen in zulke belangrijke materie? Geldt de gewetensvrijheid voor allen behalve de Koning?"

Het was in bredere kring bekend dat Boudewijn – verzot op kinderen maar kinderloos gebleven – wegens zijn diep-katholiek geloof helemaal niet akkoord ging met het abortusvoorstel. Maar dat hij het zo ver zou drijven om een goedgekeurde wet niet te ondertekenen, was ook voor de topministers een verrassing van formaat.

Premier Martens hield onafgebroken crisisberaad met zijn vicepremiers en drukte hen op het hart de grootste discretie in acht te nemen. Gelukkig leefden we nog niet in het Blackberry-tijdperk en twitteren bestond nog niet. De meeste journalisten, zoals ik, waren er bovendien van overtuigd dat de crisis voorbij was. Ook wij konden niet vermoeden dat de Koning voet bij stuk zou houden. In de Wall Street Journal had journalist Paul Beliën wel zoiets geschreven, maar niemand geloofde hem.

Gelukkig voor de regering Martens wilde Boudewijn zelf geen diepe, institutionele crisis uitlokken. Hij liet weten dat regering en parlement een "juridische oplossing moest vinden…om de goede werking van de parlementaire democratie te waarborgen". Daarop begon eerst een belegering van Boudewijn. Martens en elke vice-premier trokken naar het Paleis om Boudewijn op andere gedachten te brengen. Maar ze botsten op de Coburgse koppigheid. Mijn man was een "faux doux", zou Fabiola later zeggen.

Uiteindelijk vond Martens inspiratie in het boek van ULB-professor Jean Stengers over Leopold III. Daarin werd beschreven dat de toenmalige regering een grondwetsartikel gebruikte waarin staat dat de grondwettelijke macht van de Koning wordt uitgeoefend door de regering, als de Koning in de onmogelijkheid is om te regeren. Hoewel dat laatste in het geval van Boudewijn ietwat bij de haren was getrokken, werd de oplossing in het grootste geheim uitgedokterd en aanvaard. De Belgische bevolking werd op woensdag 4 april ingelicht.

De dag nadien, 5 april, kwamen Kamer en Senaat bijeen. Martens gaf er voor een overvol halfrond en uitpuilende tribunes lezing van zijn briefwisseling met Boudewijn en de gevonden ‘regeling’. Er werden amper vragen gesteld. Het Vlaams Blok verliet de zaal en uiteindelijk stemden 245 Kamerleden en senatoren voor de opheffing van de ‘onmogelijkheid om te regeren’. Er waren 93 onthoudingen. De mini-Koningskwestie was voorbij.

Latere opiniepeilingen toonden aan dat Boudewijn op heel wat sympathie kon rekenen voor zijn houding. Maar in de politieke klasse overheerste de indruk dat dit een eenmalige gebeurtenis was en moest blijven. We zijn nu 20 jaar later, maar in feite is er nog geen structurele oplossing voor een Koning in gewetensnood.

Jos Bouveroux