Een ongrijpbare geest

De ene dode is de andere niet. Politici, schrijvers, zangers, filmsterren en atleten halen wel de pers wanneer ze heengaan, maar niet iedereen krijgt een even groot afscheid. Lukas De Vos geeft de vergeten doden alsnog de in memoriam die ze verdienen.

Jaak Brouwers (28/2/1930 – 8/3/2010)

Er zijn van die dichters die je je maar herinnert, als iemand je er op attent maakt dat ze er niet meer zijn. Toen ik, een week te laat, ontdekte dat Jaak Brouwers op 17 maart in Vilvoorde verast was, moest ik mijn hersenen pijnigen van waar ik hem kende. De universiteit ? Te oud. Middagen van de Poëzie ? Mmmm. De Vlaamse Auteursvereniging ? Hij was al erelid toen ik nog moest betalen.

Tot ik de bibliografie van Jos Joosten opensloeg over Jan Walravens en het tijdschrift Tijd & Mens. Vond ik een stukje van Jaak over Jan. In een bundel die ik in 1976 zowaar zelf had uitgegeven. Ik kon me voor het hoofd slaan. Jaak Brouwers, de oud-journalist van Het Laatste Nieuws (dat geen in memoriam aan zijn vroegere cultuurredacteur wijdde), de voormalige redactiesecretaris van De Vlaamse Gids, net als ik lid van de PEN-Klub, de kunstkenner, de (in 1963) “jonge dichter” met, net als Gerrit Kouwenaar, “intellectuele karaktertrekken”, zoals Kees Fens met instemming overnam in De Tijd-Maasbode van 22 januari.

Jaak Brouwers is één van die dichters die net als Herwig Hensen of Ben Cami een fluïdum waren: ze waren vrijwel in alle bloemlezingen afwezig, maar hun geest, hun eerlijke verhangenheid aan de poëzie, de diepgang van hun benadering zweefde over de populaire wateren, en sijpelde onstuitbaar binnen in het werk van anderen. Daarom was het ook zo symbolisch dat zijn urne werd bijgezet naast die van Hilde Uytterhoeven, zijn vrouw, Volksunie-politica en feministe, die aan een ongeneeslijke ziekte leed en die hij veertien jaar lang verzorgde tot ze in 2006 overleed. As tot as, stof tot stof, stof in stof.

Die verstrengeling vatte hij ook in woorden, in zijn eerste dichtbundels: Harp en Mirliton, 1952 (het oerklassieke snaarinstrument der Grieken tegenover en met het geïmproviseerde membraaninstrument van kam en papier); Vuursteenvonken, 1954; Onderschept uit 1959. De chaotische brij van het bestaan, en dus ook van de taal, ontleedde hij met scalpel en rapier. Dat leverde soms vrij klassieke gedichten op, maar die hem een scherp oog leverden voor stijlidentificatie en eigenheid.

Het zou de dichter-uitgever Jan Berghmans (foto) – toen nog een rijzende ster – slecht bekomen. Want met de analytische, bijna wiskundige accuratesse Brouwers eigen was hij het die de hoax in de bundel Antimaterie (1962) blootlegde en onthulde. In een ontstellende televisie-uitzending bewees Brouwers onomstotelijk dat de kennis en veerkracht van de bundel grotendeels was aangeleverd door de kunstenaar Lambert Jageneau.

Exit de coryfee Berghmans (de man overleed vorig jaar, Jageneau stierf al in 1984). En Brouwers verdween weer als de geest van Shakespeare, achter de tinnen van de poëzie, achter de schermen van de krant.

Zijn eigen gedrevenheid in de kunstgeschiedenis maakte hem wel mondain en in de betere kringen bekend, maar zijn eigen schriftuur loste als het ware op in zijn dadendrang. Hij organiseerde voordrachten, weekends, conferenties, tentoonstellingen – Mechelen was toen nog een bruisende stad, Remi C. Van de Kerckhove vloog hoog in de literaire luchten, later trok Georges Adé de lijn van rede en kosmopolitisme door, overstapjes naar de jazz-kunstkroeg Celbeton in Dendermonde werden meer regel dan uitzondering.

In 1965 verscheen de nu volledig vergeten bundel "Ik schreef nachtland", dertien jaar later (13 !) "De Krekels". De schreeuw van de dichter is niet meer dan getsjirp in eindeloze weiden. Toen al bevroedde hij de eindigheid van zijn etsen aan de taal: 

Ik schrijf ten dode op;
Stoel, tafel en bed,
Hart en vlinderend kind,
Stamper en rozeknop.

(…)

Het hart vaart tussen de riffen
Het lichaam uit.

Het roeit tussen de woorden
Steeds in dezelfde kring.
De nacht is een kom mist.
Ik ben de drenkeling.

Brouwers zocht geen bekendheid. Hij ging liever op in een geestelijk dialoog met anderen, die hij echte kunstenaars vond. Gaston Burssens (met wie hij Met Gaston Burssens in de Cel schreef, 1981), Jef Van Tuerenhout (voor wiens etsen hij in 1979 vier gedichten schreef over Lilith – de obsessie van de zelfstandige eerste vrouw van Adam, die alle Experimentelen deelden, zoals Lucebert of Schierbeek, de onaantastbare vrouw en hoer tegelijk. Noli me tangere), Jozef Uytterhoeven, zijn vader, de schilder Rik Brouwers (een cataloog uit 1989), en zijn existentialistische mentor, Jan Walravens aan wie hij een studie wijdde (Facetten van Jan Walravens, 1966).

Het is maar op kille avonden na een aangename lentedag dat de geest van Brouwers zich weer vertoont. Hij daagt op als hij het wil, niet wij. Hij zwijgt, als alle schimmen. Maar hij toont welke weg de mens moet gaan: met open oog, voor de hele wereld, met eigen angst, met uitdaging en verwondering. En vooral met rede. Alleen op die manier kun je bewustmakende onrust stoken. Jaak Brouwers schreef het epitaaf van de heropstanding.

Lukas De Vos
 

Meest gelezen