Op bezoek bij James Sidney Edouard Ensor

Op 13 april 1860 wordt in de Langestraat te Oostende geboren James Sidney Edouard Ensor. Moeder is Marie Haegheman, die tijdens de vakantie de in Brussel geboren Brit James Frédéric heeft leren kennen. Ze trouwden in mei en elf maanden later kwam James ter wereld.

Een merkwaardige jongen die lof en onderscheidingen kreeg toen zijn artistieke vuur smeulend was, en ontgoocheld en verbitterd mokte toen hij zijn meesterwerken schilderde zoals "Oestereetster" en "De intrede van Christus in Brussel" in 1889. In 1954 schreef Alfred Barr, de eerste directeur van het Museum of Modern Art in New York, dat Ensor in 1887 wellicht de meest baanbrekende levende kunstenaar was.

Het magische jaar 1880

Op zijn dertiende zat James op het strand of in de duinen kleine "vergezichten" te schilderen op karton, paneel en soms op doek. Na een korte passage in de academie van Oostende vertrok hij voor een intense opleiding naar Brussel. Hij was toen zeventien.

De academie van Brussel werd een ontgoocheling. Ensor schreef: “Voor mijn landschapsstudies had ik de open lucht opgezocht en ik vermoedde al dat het licht erg belangrijk was. Die nieuwe experimenten vielen bij de leraren niet in goede aarde.”

In 1880 hield Ensor zijn opleiding aan de academie voor bekeken. Vanaf dat jaar tot aan zowat de eeuwwisseling zou hij zijn beste werken presenteren. Op de foto links staat het werk "De dame in het zwart" uit 1881.

Op de academie leerde Ensor de zes jaar oudere Oostendenaar Willy Finch (1854-1930) kennen. Die bracht hem in contact met één van de beste marineschilders uit die tijd: Louis Artan de Saint-Martin (1837-1890). Wellicht ook via Willy Finch leerde Ensor Guillaume Vogels (1836-1896) kennen, die – het lijkt wel een magisch getal – in 1880 furore maakte in de avant-gardewereld van Brussel.

En door wie werd Vogels beïnvloed? Precies: door Louis Artan en door de impressionist Periclès Pantazis (1849-1884). Pantazis werkte in het decoratiebedrijf ‘Peinture et Décoration’ van Vogels. Beiden kozen na enkele jaren voor het wankele bestaan als kunstenaars.

In 1883 wordt in Brussel Les XX ( les vingts ) opgericht. Mecenas, jurist en vooral kunstliefhebber Octave Maus was de grote bezieler van de groep die tegen het academisme en voor de vernieuwing in de kunst ging. Ensor heeft een jaar daarvoor als 22-jarige zijn bekende schilderij "Oestereetster" gemaakt.

Het waren uitgerekend de academische professoren die Ensor het leven zuur hadden gemaakt, dus hij was een graag gezien lid bij Les XX. En er was nog een andere reden: zowel in Antwerpen als in Brussel werd het doek "Oestereetser" geweigerd.

Ensor beschouwde het als één van zijn meesterwerken. Niemand wilde het. Zelfs in 1908 kwam het in de Luikse gemeenteraad tot een bitsige discussie over de mogelijke aankoop van het werk. Het was njet. En één van de argumenten was dat Ensor de glazen en flessen zo slecht had geschilderd (lees: het perspectief klopt niet ) dat ze van tafel konden donderen, maar zo merkte een pientere criticaster op: de fles is niet ontkurkt dus zal de vrouw niet vallen voor de verlokkingen van koning alcohol.

Pas in 1927 kocht het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten in Antwerpen het doek aan. Voor "Bij Ensor op bezoek" hangt het nu prominent in de blauwe kamer.

In goed gezelschap

Terug naar dat illustere jaar 1880. Ensor en de 24 jaar oudere Vogels pootten hun schildersezel neer in Oostende. Ze schilderden de zee, strand, duinen, de stad... Ensor bewonderde Guillaume Vogels die sinds 1876 regelmatig aan de kust aan het werk was. Ensor had zijn "Rue sous la neige" (ondergesneeuwde straat ) uit 1878 goed bestudeerd. Twee jaar later schilderde Ensor "La rue de Flandre" (Vlaanderenstraat in Oostende).

De gelijkenissen zijn frappant: beide werken hebben dezelfde spreiding van het licht waardoor het schilderij groter oogt zodat de Vlaanderenstraat majestueus over het doek uitwaaiert. Daarnaast zijn de contouren van de woningen perfect waarneembaar. Zowel Vogels als Ensor werkten met grote vlakken schaduw en licht, zij voelden precies de tinten en de kleuren aan. Niet voor niets werd Ensor de West-Vlaamse Manet genoemd, naar de Franse impressionist.

En in 1884 schreef een criticus: “Vogels en Ensor zijn op zoek naar het licht of veeleer een nieuwe manier om het licht te zien binnen de context van de kleuren.” Vandaag heel gewoon, 120 jaar geleden niet.

Vogels schilderde nat-in-nat. Hij mengde kleur na kleur op het doek zelf soms met krachtige soms met soepele borstelbewegingen en hij gebruikte ook het paletmes om dikke strepen verf aan te brengen of te trekken.

Die techniek heeft Ensor zo goed als zeker van Guillaume Vogels geleerd. Ensor begreep ook snel de kracht van de grijze kleur in al zijn tinten, een specialiteit van Vogels. Op de tentoonstelling in Mu.ZEE hangt er één werk van Guillaume Vogels: "La rue Sainte-Cathérine", olie op doek uit 1890.

Ensor reisde met Vogels naar Nederland en twee maal naar Londen, waar zij in bewondering stonden voor William Turner (1775-1851), een absolute (romantische) meester van het licht.

Kenden Ensor en Vogels succes bij de verzamelaars dan geraakten zij bij Les XX vanaf 1887 geïsoleerd. Ensor verzette zich tegen het pointillisme, een vorm van neo-impressionisme waarbij het beeld wordt gevormd door onvermengde verfstippen naast elkaar te plaatsen ( te vergelijken met een pixel in de digitale fotografie ). De vermenging van de punten vindt uiteindelijk plaats op het netvlies van het oog. Het pointillisme maakte school bij enkele belangrijke leden van Les XX.

Een jaar daarvoor – in 1886 – had er zich nog een ernstig incident voorgedaan bij Les XX. Ter vervanging van twee leden had bezieler Maus de kandidatuur van de Britse James McNeill Whistler (1834-1903) - die in datzelfde jaar werd verkozen tot voorzitter van de Society of British Artists- voorgesteld. Vandaag behoort het werk van Whistler tot de wereldklasse.

Ensor was niet mals voor hem: "Waarom Whistler aanvaarden? Zijn schilderijen ruiken naar schimmel en muffe achterkamertjes. Hij is al beroemd genoeg. Wat voor nieuws kan hij ons nog leren."

Maar Ensor heeft nooit een goeie neus voor nieuw talent gehad. Schilders die hij destijds aanbeval, zijn nu slechts een komma of niets in de kunstgeschiedenis, en namen die hij bestreed zoals Knopff en Alfred Stevens behoren tot het collectieve kunstgeheugen.

Het einde

In 1889 is het meesterwerk van Ensor af: "De intrede van Christus in Brussel in 1889". Ensor begint aan zijn periode waarin de dood het thema is. Emile Verhaeren – die een bescheiden monografie aan Ensor heeft gewijd – merkte voorzichtig op dat de meester uit Oostende een beetje vermoeid is, ter plaatse blijft trappelen, wacht op een nieuwe elan.

De jaren nadien wordt James Ensor gefêteerd: koninklijk bezoek, internationale erkenning, de titel van baron e tutti quanti. En het atelier? Tja, nu en dan, eerder heel zelden dan zelden.

Op 19 november 1949 overlijdt Ensor in het Heilig-Hartziekenhuis van Oostende (foto). "Pietje de dood" zoals hij werd genoemd in de badplaats, is niet meer. De man met de zeis is langs geweest. Zijn dood is wereldnieuws.

De Italiaanse schrijver Curzio Malaparte: “Ik kom thuis en zet de radio aan: James Ensor is zopas overleden.(…) Een groot kunstenaar is een vader voor al wie van kunst houdt. (…) Het aantal grote figuren in dit gekwetste en ontaarde Europa vermindert elke dag: en zie, alweer een groot mens heeft ons voorgoed verlaten. Nog enkele jaren verder en wij zullen helaas leven in een Europa dat met idioten bevolkt, overbevolkt is."

En Xavier Tricot, auteur van de oeuvrecatalogus, verzuchtte bij de opening van de boeiende en fraai gebrachte tentoonstelling "Bij Ensor op bezoek": "Als ik sterf, zit Ensor nog op mijn schouder."

En Ensor zelf? Die zou uitgeroepen hebben: "Leve de zee!", "Leve, gij Oostende!"

Yves Jansen

Bij Ensor op bezoek

Mu.ZEE, Romestraat 11, Oostende

Tot 29 augustus 2010

www.muzee.be