Chinezen rouwen om slachtoffers aardbeving

In het noordwesten van China zijn vandaag de lichamen van honderden mensen verbrand die zijn omgekomen bij de aardbeving eerder van de week. Het officiële dodental is nu al opgelopen tot 1.484.

Woensdag werd de noordwestelijke provincie Qinghai, dicht bij de grens met Tibet, getroffen door een zware aardbeving met een kracht van 6,9 op de schaal van Richter. Het aantal slachtoffers liep snel op. Zaterdagavond lag de officiële dodenbalans op  1.484. 11.744 mensen raakten gewond, 417 anderen zijn nog vermist. Duizenden mensen zijn dakloos, velen van hen slapen gewoon op straat, in de vrieskou.

De zwaarst getroffen stad is Jiegu. Na de aardbeving wendden veel inwoners van de hoofdzakelijk Tibetaanse stad zich tot de plaatselijke boeddhistische monniken en hun tradities voor hulp, in plaats van tot een centrale autoriteit.

Tibetanen houden traditioneel zogenoemde luchtbegrafenissen, waarbij de lichamen van de doden op een hoog platform worden gelegd, waar ze door gieren worden opgegeten. Uit vrees voor infecties hebben de autoriteiten echter beslist om alle lichamen te verbranden. De lokale monniken hebben daarom een grote brandstapel ingericht in de buurt van Jiegu. De lichamen werden eerst gezegend en daarna gecremeerd. Heel wat mensen woonden de ceremonie bij.

De Chinese autoriteiten hebben intussen 10.000 militairen en dokters ter plaatse gestuurd om de getroffen bevolking te helpen, maar de omvang van de ravage is zo groot dat de hulpverleners heel wat moeite hebben om de situatie onder controle te krijgen. Maar Peking heeft beloofd om alles te doen om de slachtoffers te helpen en de getroffen gebieden herop te bouwen.