Joseph Lamot, "L'Ecume des Jours"

Lang voor notarissen een rol van betekenis speelden, was de brouwer de ziel van het Vlaamse dorp. Met de pastoor beheerste hij het openbare leven en dus werd hij vaker dan voorheen burgemeester.

Terecht, want de brouwer was een betere behoeder van de volksgezondheid dan de chirurgijn of de kwakzalver. Water was des duivels, zelfs als het gewijd was, bier was de beste remedie voor alle kwalen van darmen en ingewanden.

Dat er flink wat brouwerijen zijn teloorgegaan, valt zeer te betreuren. Met de folklore is ook de gezondheid erop achteruit gegaan, de fitness heeft de rol van een schuimende pint overgenomen, en dat is in alle opzichten een fameuze achteruitgang.

Nogal wat hop- en gerstekunstenaars konden niet langer de koperen ketels en de alambiek betalen, maar bleven in het vak: als biersteker. In modern jargon: zaakvoerder van een bierhandel. Een telg uit een van de beroemdste families is nu verscheiden: Joseph Lamot, gezegend in de leeftijd van 86 jaar.

De Lamotgeneratie heeft een roemrijke geschiedenis achter zich die teruggaat tot de tijden van de Bloedraad en de zwarte pest. En als je de Mechelse archieven mag geloven tot vlak na de Guldensporenslag.

Rond 1320 waren er voor een uit de kluiten gewassen dorp als Mechelen dertig brouwerijen actief. Het water van de Dijle gaf toen al buikloop en tyfus, maar het was een geschikt vervoermiddel om geneeskrachtig vocht te koken. De Karpel, De Roozenhoed, Den Leeuw, ze zorgden samen voor een jaarproductie van 60.000 hectoliter.

Zes eeuwen later leverde brouwerij Lamot alleen al tienduizend hectoliter meer af. Al was het een andere telg uit Boom, Petrus Jakobus, die al in 1802 in herberg De Rolaf aan het stoken ging. Zijn neven Charles en Richard bouwden een klein imperium op met de samensmelting van de brouwerijen De Rolaf, Het Kanton in Klein-Willebroek, De Croon en De Plein in Mechelen.

Ik heb de drie hoofdvestigingen nog gekend: Lamot in Mechelen, vandaag een congrescentrum; Désiré Lamot aan de Van Enschotbrug; en het Boomse Lamot, waar in 1928 een flessenaftrekkerij was uitgebouwd. Dan word ik altijd opnieuw week als ik aan de Burton denk, de Export, het Sooike-oorlogsbier of aan Pilsor Lamot, nectar die zijns gelijke alleen vond in de Knock-Ale van Ardor of de Drijster van De Jonghe-Erix.

In Berlaar, waar Joseph Lamot brouwerij De Kroon in de Dorpsstraat uitbaatte, werd een andere weg ingeslagen: niet de Willebroekse Jasco, De Boomse Victory, of de Mechelse Opsinjoor werd het topmerk, wel de Extra Diesterse: Diesters bier! De gesel van Noord-Brabant. Zo aantrekkelijk en met zo’n rijkelijk palet dat de dertien brouwers van Tilburg in 1732 alle herbergiers een taks van honderd gulden lieten opleggen, om toch maar de eigen, slappe pils te kunnen verkopen. Dat bleef niet zonder gevolg. De stad Diest protesteerde heftig bij de drossaard van Tilburg en wees erop dat Tilburgs laken onbelast verkocht kon worden. “Wy verhoopen dat UEd. sullen voorkomen met dien last te vernietigen ende int toekoomende de huysen daer van ons bier verkogt wort niet particulirelyck te belasten”. En zo geschiedde.

De trotse erfgenaam van deze koopmansdrift was niemand minder dan Joseph Lamot. Tot het laatst werkte hij nog met vijf helpers en draaide hij een omzet van ruim 660.000 euro. Fraai was dat, vooral omdat er ook winst was: 30.000 euro. Het schuim der dagen is nu andermans last.

Lukas De Vos