De weg om "Belg" te worden: de "évolué"

In 1948 voerde de Belgische kolonisator de "carte du mérite civique" in, een soort brevet van beschaving voor de Congolees. Wie zo'n kaart kon bemachtigen, werd beschouwd als een "évolué".
Evolué-familie die in 1958 de prijs van beste évoluéfamilie heeft gewonnen (Leopoldstad)

“Sociaal assistenten kwamen bij je thuis om na te gaan of je wel zetels had, een bed, of je vrouw met mes en vork kon eten, of je kinderen een onderbroek droegen en schoenen, hoe je interieur eruit zag. Het ging er ook om welke studies je gedaan had.” Zo legt Joseph Mabiola het uit, 50 jaar later. In de koloniale tijd was hij onderwijzer.

Met het koloniaal decreet van 12 juli 1948 wordt de  "carte du mérite civique" ("de kaart van burgerlijke verdienste’’) ingevoerd en zo het statuut van "évolué" vastgelegd. Het gaat om "een brevet van beschaving voorbehouden aan de Congolese elites die er zorg voor dragen hun persoonlijkheid te ontwikkelen op een harmonieuze manier, zowel individueel als sociaal, in nauw contact met de grote massa van dezelfde afkomst".

Begin 1952 zijn er precies 398 uitgereikt, tegen een ritme van ongeveer 130 per jaar ... voor heel Congo.

In 1952 komt er een nieuw statuut, de "immatriculation", in een officieel rapport uit die tijd omschreven als: " ... het brevet van beschaving voor de autochtonen die, door de regels van de burgercode te aanvaarden, de weg kiezen van de integrale Europeanisering".

De bedoeling van de koloniale overheid is dat "geïmmatriculeerde Congolezen" zich volledig zouden gedragen als Europeanen, lees: Belgen, voor wat hun opleiding betreft, hun levenswijze, al hun gedragingen, zowel in het openbaar als in hun privé-leven.

De "immatriculation" ging zo nog een stap verder dan de "carte du mérite civique". Veelzeggend is vooral dat de Congolezen die op die manier het officiële statuut van "évolué" verwierven er prat op gingen dat zij nu behoorden tot "de beschaving", zoals de blanken die oplegden. Zij namen snel en ogenschijnlijk graag afstand van "de onwetende en onderontwikkelde massa", zoals een groep "évolué’s" in Luluaburg het in 1944 al formuleerde in een memorandum voor een overheidscommissie.

En vooral: zij eisten op basis van die erkenning als "évolué" – de populairdere term die zowel gebruikt wordt voor houders van de "carte du mérite civique" als voor een "immatriculé" – dezelfde rechten op als de blanken op gebied van loon, carrièremogelijkheden, inspraak op sociaal en weldra ook politiek gebied. Snel zal blijken dat de koloniale overheid in de praktijk de beloofde toegang tot die gelijke rechten voor évolué’s vertraagt tot zelfs afblokt, met alle frustraties van dien.

Hoe Belgische, hoe beter...

Einde 1955 telt Congo precies 116 familievaders die hun "immatriculation" verworven hebben. Samen met de houders van de "carte du mérite civique" telt de kolonie halverwege de jaren 50 wellicht niet meer dan zo’n 500 "évolué’s", zo goed als uitsluitend mannen die hun statuut wel overdragen op hun gezin.

Philippe Mapwanga, toen "commis" op de gewestdienst, ziet hen flaneren in Kikwit. “Enkel de evolué’s hadden het recht om ’s avonds nog iets te gaan drinken. Zij waren geëmancipeerde Congolezen en gedroegen zich als blanken. In hun eigen club. De kolonialen kwamen bij hen op inspectie om te zien hoe ze leefden, wat ze aten, hoe hun huishouden georganiseerd werd. Als ze het goed deden, kregen ze hun erkenning. Hoe Belgischer ze leefden, hoe beter. Dat was hun manier om in harmonie te leven met de zwarten, "à la belge". Er waren er zelfs die van naam veranderden. Ik kende een Mayuma die zich voortaan Georges Phillipin liet noemen.”

Wellicht de bekendste évolué die ook prat ging op dat statuut, is de latere eerste minister Patrice Lumumba. Als hij in augustus 1956 opgesloten wordt in de gevangenis van Stanleystad, omdat hij als postbeambte geld uit de kassa had "geleend", beroept Patrice Lumumba zich precies op zijn statuut van évolué om een bevoorrecht gevangenisregime te krijgen.

De hele rechtsgang lang zal hij dat statuut uitputten om behandeld te kunnen worden op het niveau van een blanke en niet als een doorsnee Congolese beschuldigde van een banale diefstal. Zo eist hij onder meer dat zijn vrouw en kinderen de materiële mogelijkheden krijgen om verder een leven als évolué te kunnen leiden nu hij, de familievader, in de gevangenis zit.

Er ontstaat een lange briefwisseling met alle mogelijke autoriteiten over het feit of zijn kinderen in die omstandigheden nu al dan niet naar een school kunnen blijven gaan die overeenstemt met "de principes van de Europese beschaving volgens dewelke ik mijn kinderen wil opvoeden", zoals hij het in een ultieme brief aan de gouverneur-generaal formuleert. Uiteindelijk komt zelfs minister van Koloniën Auguste Buisseret tussenbeide, ten voordele van Patrice Lumumba: zijn drie kinderen krijgen zolang de gevangenschap van hun vader duurt een speciale toelage, zodat zij inderdaad naar "een school volgens het Europese stelsel" kunnen gaan, met alle kosten die daaruit voortvloeien.

Zo zal de koloniale overheid betalen voor "een minimum aan vestimentaire netheid zoals hun Europese vriendjes, ze moeten gevoed worden en elke morgen een ontbijt op niveau", zoals Lumumba het schriftelijk gevraagd had.

Peter Verlinden

Meest gelezen