De Prins van Rety

De ene dode is de andere niet. Politici, schrijvers, zangers, filmsterren en atleten halen wel de pers wanneer ze heengaan, maar niet iedereen krijgt een even groot afscheid. Lukas De Vos geeft de vergeten doden alsnog de in memoriam die ze verdienen.

John Rety (Boedapest, 8 december 1930 – Londen, 3 februari 2010)

Er zijn weinig anarchisten die als enige wapen de dichtkunst hanteren. John Rety deed het. Zijn leven leest als een lang episch gedicht in vrije verzen. En het is gepast dat ik zijn dood pas ontdek vier maand na zijn heengaan. Hij zou het graag zo gewild hebben, het poëtisch geweten van de Engelse letteren, de immer onaangepaste en net daarom zo diepgewortelde inwijkeling, wiens Hongaars paspoort door zijn tante verbrand werd toen hij na een door thuis verplichte vakantie over het Nauw van Calais wou terugkeren naar zijn heimat. En dus bleef.

En als vertaler begon bij een Tsjechische uitgever die geen gebenedijd woord Engels sprak of verstond. Zelf zou Rety statenloos blijven – geheel in overeenstemming met zijn overtuiging – en pas een Brits paspoort krijgen toen Hongarije bij de EU kwam.

Rety had toen al lang komaf gemaakt met de bombast van de macht, de pomperijen van de ideologieën, de wellust van de feldwebels. Geboren in een joods gezin, verleende Janos Réti hand- en spandiensten aan het verzet tegen de nazi’s. Hij speelde boodschapper vanaf 1944. Zijn afkeer van alle machtsgruwel hing ongetwijfeld samen met de moord op zijn grootmoeder begin 1945.

Een jeugdig lid van het uiterst rechtse Pijlenkruis schoot haar neer, toen ze hem vriendelijk waarschuwde dat het tij aan het keren was en hij er voorzichtiger aan deed zijn opvallende armband af te leggen. Enggeestig nationalisme zag Rety als de demon van de nieuwe tijd. En dat gold zowel voor de zogenaamde vrijheidsstrijders, die met geld van de CIA en blaffende oproepen van Radio Free Europe in 1956 de wapens opnamen tegen de Russische bezetting, als voor de stalinisten zelf.

Bezwarend feit: zijn vader stierf tijdens de Hongaarse opstand aan een hartaanval. Rety was daar zeer Shakespeariaans in: macht gaat de mens te boven, en dus kan hij maar beter met alles de spot drijven en zich richten op wat de mens écht moet kunnen: omgaan met een puntige, zorgzame, veelzeggende taal. Het summum daarvan was poëzie. Want gebalde zeggingskracht leverde heldere, zelfstandige gedachten op.

Zijn theaterkennis zou hij nochtans nooit verloochenen. Al voor zijn uitwijking naar Londen had hij contact met Britse toneelschrijvers. Zelf profileerde hij zich als schrijver en uitgever, eerst met een brievenroman in 1953, dan met het avantgarde tijdschrift Intimate Review en de Fortnightly dat onder meer Doris Lessing publiceerde. Rety engageerde zich sterk in het linkse verzet tegen de kernbewapening, zonder partijgebonden te worden (ook al zou Tony Benn vorig jaar nog de onverbrekelijke band tussen kunst en socialisme bepleiten in zijn inleiding op de antologie Well Versed).

Maar het als criticus en uitgever dat Rety een ijkpaal zou worden in de hedendaagse letteren. Hij lanceerde het anarchistische blad Freedom (what’s in a name ?), wijdde een toneelstuk aan Paracelsus, en stichtte het Torriano Ontmoetingscentrum, waar de meest vrij denkende performances, tentoonstellingen, en politieke debatten plaatsvonden. Rety leek hoe langer hoe meer op Fred Bervoets, en zo gedroeg hij zich ook: met kennis, eigenzinnigheid, en vastberadenheid.

Sinds 2006 leidde hij de poëzierubriek in de Morning Star, en deed dat met zoveel verve dat de hele oplage met twee procent steeg. Hij koos naar eigen inzicht, en was politiek (en vooral literairpolitiek) volslagen incorrect. Zijn poëzie-uitgeverij, Hearing Eye, leverde een staalkaart af van wat woordkunst vermocht – 150 pareltjes waar het Poëziecentrum in Gent of Germain Droogenbroodts Point Uitgevers in Spanje afgunstig mogen op zijn.

Rety stierf uitgeblust, in de wetenschap dat hij de taal had gevrijwaard van perverse misbruiken, van Newspeak, van advertentiebedrog, van mediagestoethaspel. Hij had in ijltempo geleefd, moedigde iedereen aan voor kwaliteit te kiezen, investeerde in onbekend (én bekend) (én ouderwets) talent, overbrugde moeiteloos schilderkunst, politiek, toneel en poëzie. En ging dan moe maar tevreden heen. Zoals hij zelf schreef:

So our hero packed his bags and departed.

To have stayed famous for two days

Was beyond his means.

Bakoenin zou het onderschreven hebben.

Lukas De Vos

lees ook