Jan Van Gompel, coureur bij cafés genade

De ene dode is de andere niet. Politici, schrijvers, zangers, filmsterren en atleten halen wel de pers wanneer ze heengaan, maar niet iedereen krijgt een even groot afscheid. Lukas De Vos geeft de vergeten doden alsnog de in memoriam dat ze verdienen.

Jan Van Gompel (Breendonk 25 januari 1933 – 10 mei 2010), coureur bij cafés genade.

Het is de doordeweekse wielerliefhebber allicht ontgaan. Maar in de klassieker Luik-Bastenaken-Luik van 1956, gewonnen door de legendarische Fred De Bruyne, eindigde als 51e op bijna 31 minuten Jan Van Gompel; voor Odiel Vandecasteele, dat wel, maar vlak na Willy Schroeders.

Jan is dezer dagen gestorven, er hingen nog wat plastieken palmen aan de schouw, en zijn caravan waarmee hij de Rondes volgde ademde nog de bedompte sfeer van er-zo-graag-willen-bij-zijn maar net-niet-kunnen. Jan Van Gompel was uit het goede hout gesneden, maar zijn kuiten schoten tekort. Hij was en bleef een kermiscoureur met veel uithoudingsvermogen.

Ik hou van die jongens van eenvoudige komaf, van eenvoudige geest, van eenvoudige geneugten. Vandaag lees ik de uitslagen na van de eliterenners zonder contract – onafhankelijken, zouden we gezegd hebben in de tijd van Emiel Staldeur (één overwinning, voor zijn deur, god weet hoe lang hij daarvoor afbetaald heeft). Toen er ook nog liefhebbers reden en kermiskoersen nog beslecht werden met een kasseisprint en een handslag.

Dat kon omdat rond de kerktoren geen dwaze bloembakken waren neergekwakt midden op de rijweg, en bumps geen marteling waren voor de bezemwagen, de brandweer en het ziekenvervoer. Kermiscoureurs waren graag geziene gasten, die met fierheid zelf café hielden (Bij Raymond De Smedt, Beroepsrenner; Van Gompel hield Sint Sebastian open, midden in zijn dorp tegenover de Leonarduskerk), en al es een premie mochten opstrijken van brouwer (een bak Duvel), bakker (een fruittaart met slagroom) of beenhouwer (een salami).

Als je de erelijst van Jan Van Gompel bekijkt, dan weet je dat de wereld van faam zich verspreidde over hooguit een tiental dorpen. Zijn successen dateren van rond de Expo: in 1956 (en 1963) de jaarkoers van Temse, en die van Welle; 1957 was zijn wonderjaar – winst in Heist-op-den-Berg, Leuven, Ninove, Tienen, Buggenhout (recidive in 1960), en vooral de halve semiklassieker Schelde-Dender-Leie; in 1958 rustte hij op zijn lauweren en kreeg de tuil in Willebroek, op een boogscheut van zijn woonst.

Daarna gebeurde het alleen nog mondjesmaat (Sint-Niklaas, Oppuurs, en zijn zwanezang in 1964: Puurs – hij reed voorbij zijn deur en voorbij het enige monument dat ongezien nog rechtstaat langs de straat voor een gesneuvelde Uhlaan uit de Groote Oorlog). Want Jan had het gemaakt, zoals Annelies uit Sas-van-Gent.

Voor die tijd leuke contracten versierd als waterdrager, bij Libertas, Faema, Solo Van Steenbergen, GBC, toch topploegen in die tijd. En dat leverde hem soms zelfs ereplaatsen op: 16e in Parijs-Tours van 1955, geplakt aan het achterwiel van Maître Jacques Anquetil; 14e in De Ronde van Vlaanderen van 1958 en idem dito in de Waalse Pijl (eerlijk verdeeld dus), 15e in Parijs-Roubaix, wie kon dat zeggen? Eddy Pauwels, Jan Adri-Lemme (Adriaensens dus, plaatselijk zo genoemd naar zijn krullende haarbos), laat staan Raymond De Smedt ? Nee toch? (Allez, Fonske De Wolf later wel, maar die was knap en veel jonger). Jan had een abonnement op plaatsen 14 en 15: in Gent-Wevelgem 1961 en 1962, in de Wegrit van Heren ook (1959).

Helaas is het Jan daarna minder goed vergaan. In 1966 hing hij zijn fiets aan de wilgen. Zijn vrouw Simone (Adriaenssens) stierf een tijdje later, en hij trouwde met haar zus Annie. Hij was al een tijdje ziek, en ik vind zijn doodsbrief erg aandoenlijk. “Deze strijd was niet te winnen”. Voorspelbaar als een man van het volk: “bloemen noch kransen”, “oud-beroepsrenner”, “mede-oprichter van Carosserie Van Gompel-Adriaenssens”, met dank aan de dokter en de thuisverpleging. Natuurlijk mist zijn familie hem.

Maar ook voor mij is een stukje jeugdgeschiedenis verdwenen. Mijn neef Michel is zelfs nog beginnen koersen omdat hij Jan wou kunnen volgen. Quod non. Maar hij had wel een herkenbaar hemelsblauw truitje met sterren – want renners, dat waren geen fluorescerende mietjes, geen rijdende advertentieballerina’s, geen modepoppen. Dat waren mensen van klampsteen en modder, met gepaste zwarte broek en witte kousen, die hun neus uitsnoten in het voorbijrijden en hun lege bidons mee naar huis namen.

En soms, heel soms, mochten ze ook hun hand opsteken. Jan Van Gompel heeft het te weinig mogen doen. Maar hij is in Breendonk wel een man van formaat geworden. En dat maakt een stuk lelijke oorlogsgeschiedenis toch weer goed.

Lukas De Vos

lees ook