"Toy story 3": De Pixar-methode

Haalt "Toy story 3" het hoge niveau van zijn beide voorgangers? Nee, maar dat doet weinig af van de status die animatiefabriek Pixar geniet.

Met amper tien films op zijn conto heeft Pixar zich opgewerkt tot een animatiestudio waar enkel nog meesterwerken van verwacht worden. Het is een benijdenswaardige reputatie die natuurlijk ook een enorme verantwoordelijkheid met zich meebrengt. Om aan de hoge verwachtingen te beantwoorden, heeft Pixar een aantal regels ontwikkeld die de productie van nieuwe films in goede banen moeten leiden.

Op het Filmfestival van Venetië, waar de heren van Pixar vorig jaar een masterclass gaven, deden ze hun unieke werkwijze haarfijn uit de doeken. John Lasseter (studiohoofd en regisseur van onder meer "Toy story" en "Cars"), Andrew Stanton ("Finding Nemo", "Wall-E"), Brad Bird ("The Incredibles", "Ratatouille"), Pete Docter ("Up") en Lee Unkrich ("Toy story 3") vatten hun hele werkwijze samen in negen punten.

HOOFDSTUK I: DE STUDIO

1. Geen politiek
Politieke inhoud is uit den boze in de films van Pixar. Het moeten verhalen zijn die de mensen samenbrengen, niet in kampen verdelen. Wel vreemd dat "Toy story 3" zich dan voor een deel afspeelt in een kinderdagverblijf dat voor onze helden aanvankelijk een commune lijkt te zijn waar iedereen gelijk is voor de wet maar waar finaal een totalitair regime blijkt te heersen. Maar soit.

2. Creatieve managers
Pixar is een filmschool zonder leraars, waar iedereen meewerkt en -denkt aan het werk van de anderen.

3. Gedreven door filmmakers
De opzet van het bedrijf is uitgesproken democratisch. Wat overigens niet betekent dat de smaak van de meerderheid het haalt maar wel dat het beste idee het haalt. Om het even wie ermee voor de dag komt.

4. Interne originele ideeën
Pixar werkt bij voorkeur met ideeën die binnenshuis ontwikkeld worden. Daarom zien we vaak regisseurs van de korte films die voor elke nieuwe Pixarproductie vertoond worden een kans krijgen als regisseur van een langspeelfilm. Of, zoals in het geval van "Toy story 3"-cineast Lee Unkrich, coregisseurs die eens zelf de touwtjes in handen krijgen. Ook hier zijn een paar uitzonderingen. Zo werd Brad Bird weggeplukt bij een andere studio.

HOOFDSTUK 2: FILOSOFIEËN

5. Niet voor kinderen
In de ogen van de meeste andere studio’s is animatie in de eerste plaats iets voor kinderen. Pixar denkt daar anders over. Ze vertikken het om de lat lager te leggen. “We weten dat we zelf kinderlijk genoeg zijn om dingen te maken waar kinderen ook van zullen genieten,” legt Andrew Stanton het uit.

6. Filmliefhebbers voor alles
Pixar maakt in de eerste plaats films die ze zelf graag zouden bekijken. Alle andere overwegingen (ook esthetische) zijn daaraan ondergeschikt.

7. Geen formules
Als ze iets al eens eerder hebben gedaan, gaat Pixar op zoek naar een andere weg. Vandaar dat hun films zo verscheiden zijn. Ook hier moeten we wel opmerken dat ‘Toy Story 3’ die regel vaak met de voeten treedt. Veel van de grapjes zijn rechtstreeks uit de vorige films gelicht.

8. Animatie is geen genre
Animatie is een medium dat geschikt is voor alle mogelijke genres en dat ook de ambitie moet hebben om alle mogelijke genres te bespelen. Tegenstanders zullen opperen dat de meeste Pixar-producties toch te klasseren vallen in het genre van de actiekomedie.

9. Durf dom te zijn
Of liever: wees zo snel mogelijk fout. Elke filmproductie bestaat uit een reeks verkeerde beslissingen en inschattingsfouten. Je moet dus genoeg moed hebben om risico’s te nemen. Als je verkeerd zit, is het niet meer dan normaal en in het beste geval leidt het tot onverwachte openbaringen.

Ruben Nollet