Mary Gladys Cools-Brandenbourg: The lost world

De ene dode is de andere niet. Politici, schrijvers, zangers, filmsterren en atleten halen wel de pers wanneer ze heengaan, maar niet iedereen krijgt een even groot afscheid. Lukas De Vos geeft de vergeten doden alsnog de in memoriam dat ze verdienen.

Als een eeuweling sterft, verdwijnt er meer dan een bibliotheek. Er wordt een gat geslagen in een brok geschiedenis. Dat is zo met het verscheiden op 16 juni van kanunnik Silveer Hanssens, hoogleraar kerkgeschiedenis in Leuven. Hij zou op de laatste dag van het jaar 102 zijn geworden. De weduwe van oud-ambassadeur Hippolyte Cools deed er een jaar bij. En als we vaak niet weten wanneer mensen in Zwart Afrika geboren zijn, dan was het ook in Brits-Indië niet altijd duidelijk wààr iemand geboren is. Het doodsbericht (van Funérailles Lefèvre) houdt het bij Trivandrum in Kerala, aan de zuidpunt van India. De archieven van onze diplomatie geven Anjengo op.

Voor wereldreizigers een verwaarloosbare 36 kilometer, maar voor de geschiedenis een zee van verschil. Want in Anjengo, het huidige Anchutengu, vestigde de East India Company zijn eerste faktorij in de zeventiende eeuw. Mét instemming van de koningin. Een logische keuze, want de Portugezen waren daar eerder al aan land gegaan, in het stadje dat letterlijk “De Vijf Palmbomen” betekent – dat is wat anders dan “De Veertien Billekens”.

Maar wat zuidelijker ligt dus de grootste stad van de deelstaat, driekwart miljoen inwoners, Thiruvananthapuram – de Stad van Heer Anantha (zoals bekend, de Slang waarop Visjnoe zich neervleit). Een stad met een geschiedenis die tot het jaar 1000 voor onze tijdrekening teruggaat, en die Mahatma Gandhi nog aanprees als de “eeuwig groene stad”. In dat Brits-Indië, met zijn onderworpen radja’s en thugs, groeide Mary Gladys op. Ze zou de onafhankelijkheid niet ter plekke meemaken want ze volgde haar man Hippolyte, die ze in 1935 had leren kennen toen hij Belgisch vicekonsul werd in Bombay (nu Mumbai) naar diverse posten: Lima (1938), Quito (1941), Buenos Aires (1945), Londen jawel (1947), Brussel en uiteindelijk Moskou.

Maar zoals het Britse Gemenebest verdampte, zo verging het ook de wereld van haar man. Hippolyte (Guillaume Arthur Eugénie) Cools behoorde tot die Franstalige minderheid in Vlaanderen, voor wie een diplomaten- en zakencarrière als vanzelfsprekend was weggelegd. Van Vlaamse ambassadeurs was er tot 1965 geen sprake, alleen de adel, de hovelingen, en de topkandidaten van kerk en loge mochten aanspraak maken op die vertegenwoordiging. Cools was nochtans geboren in Bornem (Bornhem, schreef hij zelf, net als graaf John van Marnix van Sinte-Aldegonde), maar zijn gestage weg van ‘exportations’ in Luik en ‘huiles et graines’ in Antwerpen tot zijn lange diplomatieke loopbaan (1934-1967) tekent ook het vervliedende Belgique à papa. Het is immers vanaf 1965 dat de “Fayatboys” in ijltempo de Vlaamse achterstand in de diplomatie zullen wegwerken, flink geholpen door een blunder van Paul-Henri Spaak, die drie benoemingen zag teruggefloten door de Raad van State. Toch bleef ook in 1965 nog de ongelijkheid bestaan: in klasse I waren er 20 Nederlandstalige ambassadeurs, en 58 Franssprekenden (bij de bespreking van de taalwetten in 1962 waren er 82 Vlamingen in dienst, en 249 Franstaligen).

Billijk, dat betekende zo goed als uitsluitend Franstalig

Cools’ wedervaren is symptomatisch voor de Belgische geborneerdheid. Tot 1932 volstond het om Frans te spreken en wat Engels, Duits en Spaans te gebruiken om goed bevonden te worden voor de dienst. Toen werd een (uiteraard niet toegepaste) wet gestemd die de “taalrollen” invoerde en een “billijk evenwicht” in het vooruitzicht stelde. Billijk, dat betekende zo goed als uitsluitend Franstalig. Dat bleek toen pas in 1937 wel drie kandidaten slaagden in de Nederlandse proef. En pas in 1946 de eerste 14 Vlaamse ambtenaren werden aangeworven. Mits grondige kennis en beheersing van het Frans, vanzelfsprekend.  Tot vandaag staan Franstaligen op hun achterste poten als een Vlaams minister van Buitenlandse Zaken het aandurft in het Engels te spreken op internationale gremia.

Fayat holde achter de Coolsen aan: hij drukte de 50/50 taalkaders door in alle klassen (zes dus), maar zelfs dat bleef van laatdunkendheid getuigen. Cools bleef een exponent van de Franstalige kaste, en liet als belangrijkste wapenfeiten optekenen dat hij in 1967 in Moskou het VN-Verdrag over de Ruimte mee ondertekende (en het verbod op aanhechting van de maan en andere hemellichamen). Hij liet zich op zijn kranigst kennen twee jaar daarvoor. Hij stapte toen gebelgd op op een receptie in het Kremlin ter ere van de legerputschist Alphonse Massamba-Débat (Kongo Brazzaville), die overigens letterlijk het hoofd zou verliezen na zijn afzetting en de moord op zijn opvolger Ngouabi in 1977. Massamba-Débat trok toen fel van leer tegen de blijvende inmenging van het Westen, en met name tegen de steun voor de omvorming van Afghanistan tot grondwettelijk koninkrijk onder Zahir Sjah. Dat kon Cools niet over zijn rug laten gaan, voor vorst, voor vrijheid en voor recht.

Cools zelf bleef acht jaar in Moskou, ging als Grootofficier in de Kroonorde op rust, en stierf geen jaar later op 14 mei 1968. Vier maand later werd Massamba-Débat afgezet. Cools’ weduwe overleefde hem 42 jaar – langer dan ze getrouwd waren geweest. Met hen is een kruis gemaakt over een stuk weggedeemsterde internationale en Belgische geschiedenis.

Lukas de Vos