Het sublieme voorbij: schilderkunst is niet dood

Voor de tweede keer organiseren twee Oost-Vlaamse musea, het Roger Raveelmuseum in Machelen-Zulte en Museum Dhondt-Dhaenens in Deurle de zomerbiënnale van de schilderkunst. Zoals bij de vorige editie is het een prettig samenbrengen van bekende en onbekende schilders, van binnen- en buitenlandse kunstenaars.

Belangrijk is dat Roger Raveel drie nieuw werken toont uit 2010 en dat het stof van de schilderijen van Hippolyte Daeye terecht werd verwijderd.

Uitgangspunt van deze editie is een wandeling door de schilderkunst vanaf het interbellum (met onder meer Hippolyte Daeye (1873-1952)) tot vandaag (met Roger Raveel (°1921) de ouderdomsdeken van de Belgische schilders). En daartussen een breed scala van kunstenaars.

De geëxposeerde kunstenaars hebben één ding gemeen: voor hen is de schilderkunst niet dood. We moeten dit uitgangspunt nuanceren: sommige kunstenaars hebben bij de opkomst van de avant-garde getwijfeld en zochten hun heil in extreme vormen van het abstracte.

Ze bleven de abstractie of de niet-referentiële kunst trouw of nuanceerden opnieuw hun uitgangspunt. Een kunstenaar laat zich soms meedeinen op een nieuwe golf, maar kan evengoed gepassioneerd raken door een (her)ontdekking van een oude meester.

Zoiets zal conservator Piet Coessens van het Roger Raveelmuseum hebben bedoeld wanneer hij bij de vernissage poneerde dat “de schilderkunst nooit uit de tijd is geweest.”

Zijn museum focust daarbij op de economie van de schilder, die  met een minimum aan middelen tracht een maximaal effect te bereiken. En die schaarse middelen vertalen zich in bijvoorbeeld het formaat, de materie of het basismateriaal, de kleuren, het "povere" gebruik van verf, de "arme" penseelvoering.

Bij de binnenkomst is het meteen raak: een gloednieuw schilderij van Roger Raveel, die in goeden doen was op de opening. Hij had zich voor de gelegenheid gekleed als een Italiaanse jonker met aan zijn zijde de nieuwe vriendin.

Op het doek: een zelfportret als schilder die een arm omhoog steekt. Bovenaan staat het woord Kunst, onderaan Art en dan drie vage streepjes blauw, geel en rood of de primaire kleuren, waarmee de schilder aan de slag gaat. Heel uitgepuurd en mooi aansluitend bij Raveel zijn de potlood op papier-werken van de Italiaan Giorgio Morandi (1890-1964). Die legt op zijn beurt dan weer de link met het schilderij "Stilleven" van de Karel Dierickx (°1960).

Dierickx is een wat in vergetelheid geraakte Gentse schilder die zeer tactiel werkt. Een verfveeg hier, een schijnbaar weggedrukte verfstrook daar, subtiele kleuren, een niet in woorden te beschrijven abstraherende uitbeelding en compositie bewerken een sublieme ervaring van ongenaakbare schoonheid.

En dan in een kleine kamer op de eerste verdieping: een Raveel "Landschap met korenveld" (1948, olieverf op doek) tegenover Albijn Van den Abeele (1835-1918) met "Leiezicht-Lente" (ca.1917, olieverf op doek), spel van licht en kleur, van wazige afwezigheid, van gedroomde werkelijkheid; de eenvoud van de rivier en de velden; het gevoel van de welwillende tevredenheid.

Terug naar het nulpunt

In Museum Dhondt-Dhaenens staan we voor twee grote werken van Thierry De Cordier (°1954). De Cordier streeft naar het ultieme niets (niet voor niets heet zijn werk "Nada") om van daaruit opnieuw te vertrekken: van een zacht "uitbeeldend" werk naar een zwart vlak.

En daar doet hij jaren over, in het geval van "Crucifixions no more" drie jaar. Wat hij bereikt is de ultieme stilte of het donkere vlak.

Hijzelf noemt het Negatieve Schilderkunst naar analogie van de Negatieve Theologie, of het ontbreken van God in de theologie. En het gekke is, wie lang blijft staren naar bijvoorbeeld "Nada" denkt plots toch een soort afbeelding te zien. Dus terwijl we God hebben geschrapt, doemt die plots weer op. Geen gemakkelijke, maar wel fascinerende kunstwerken.

Er hangen schitterende Lucio Fontana’s (1899-1968) die wereldberoemd werd toen hij met een mes een snede maakte in het canvas. Zelf zei hij dat hij geen nieuw schilderij wilde maken, maar een nieuwe ruimte wilde openen om zo te komen tot een nieuwe dimensie in de kunst. Hij noemde zijn werk Concetto Spaciale of Ruimtelijk Concept, waarmee hij de leegte wilde verbeelden waardoor hij meende een gesublimeerd eindpunt in de esthetica te hebben bereikt.

Naast Fontana pronken krachtige doeken van Gustave Van de Woestyne, enkele weken geleden nog te zien in het Gentse Museum voor Schone Kunsten, maar die in het kader van deze biënnale bewijzen hoe sterk ze wel zijn.

De herontdekking van Hippolyte Daeye

Tanguy Eeckhout van Museum Dhondt-Dhaenens toont ons drie werken van Hippolyte Daeye (1873-1952) een schilder die het museum opnieuw onder de aandacht wil brengen.

“Elke hedendaagse schilder bekijkt en bestudeert Daeye met meer dan gewone aandacht, met passie voor zijn metier. Zo is zijn techniek bijzonder. Je moet weten dat een schilder eigenlijk niet zoveel bezig is met de afbeelding maar veel meer met de techniek. Hij stelt zich steeds de vraag wat hij met zijn penselen kan bereiken? Welke kleurcombinaties hij kan toepassen? De bezoeker zijn interesse gaat bijna uitsluitend naar het verhaal achter het werk.”

En Daeye heeft inderdaad een uitzonderlijke techniek. De kleuren zijn summier aangebracht, de lijnen los van de afbeelding alsof ze een eigen bestaan leiden. De achtergrond bij Daeye lijkt wel abstract terwijl de afbeelding realistisch is. Daeye werkt met schaarse middelen, maar weet daarmee een prachtige helderheid en lichtreflectie te bereiken. In zijn tijd kende hij geen navolgers, later deed Dan Van Severen (1927-2009) een stap in zijn richting.

Museum Dhondt-Dhaenens exposeert enkele werken van Van Severen: haast monochroom met geometrische vormen die fragiel en vaagjes op het doek werden aangebracht. Van Severen gebruikte verdunde temperaverf, waardoor hij een mat effect bereikt. Olieverf daarentegen geeft glans.

De kunstenaar wilde dat de bezoekers een moment van meditatie zou kennen bij het bekijken van zijn werken. Hij geloofde dat via de Kunst uiteindelijk "de ultieme werkelijkheid" ontdekt kon worden.

Dat effect streeft ook de Zwitser Ugo Rondinone (°1964) met zijn grote werken na. Het zijn acryl schilderijen waarop het nachtelijke universum staat met al zijn sterren, kometen en "ruis". De schilderijen kunnen zowel figuratief als abstract zijn.

Het ongrijpbare en onbereikbare van de hemel probeert Rondinone te vatten binnen de ultieme kosmische schoonheid. Van deze kunstenaar staan er twaalf beelden in de tuin. Het zijn hoofden uit verzilverd brons die elk een maand van het jaar uitbeelden. Door de mond, de tanden, de ogen en de neus te manipuleren bereikt hij soms hilarische, soms angstaanjagende effecten.

Zowel in het Museum Dhondt-Dhaenens als in het Roger Raveelmuseum zijn er verschillende werken te zien van Gerhard Richter (°1932). De samenstellers opteerden voor zijn kleurrijke, abstracte schilderijen. Richter is een einzelgänger die niets moet weten van –ismen of strekkingen, wars is van dogmatiek, en waarbij het schilderij uitsluitend gaat over kleur en verf.

“Met de abstracte schilderkunst creëren we een betere methode om dat wat we niet kunnen zien of kunnen omschrijven toch te benaderen, omdat de abstracte schilderkunst op zeer duidelijke wijze het Niets illustreert.”

De tweede aflevering van de Biënnale van de Schilderkunst kent geen dissonanten. Elk schilderij of object getuigt van een verstandige keuze. Het kan afzonderlijk bekeken worden maar krijgt een extra dimensie wanneer het in dialoog gaat met een ander kunstwerk.

De extra betekenis die beide werken dan krijgen wordt goed begeleid door de uitstekende opbouw van beide exposities.

Biënnale van de schilderkunst: het sublieme voorbij

Tot 19 september 2010

Museum Dhondt-Dhaenens (Deurle) en Roger Raveelmuseum (Machelen-Zulte)

www.museumdd.be

www.rogerraveelmuseum.be

(Wie beide musea wil bezoeken moet wel weten dat het Roger Raveelmuseum gesloten is op maandag en dinsdag. Het Museum Dhondt-Dhaenens is enkel op maandag gesloten)