Rui Ogata, glazenier bij Gods genade

De ene dode is de andere niet. Politici, schrijvers, zangers, filmsterren en atleten halen wel de pers wanneer ze heengaan, maar niet iedereen krijgt een even groot afscheid. Lukas De Vos geeft de vergeten doden alsnog de in memoriam die ze verdienen.
Glasraam van Rui Ogata in een station in Yokohama

Rui Ogata alias Lowie Fransen (Beerse, 10 oktober 1928 – Odawara, 26 april 2010)

Iedereen krijgt wel eens een scheut en dat geldt in hoge mate voor de leden van het gelijknamige gezelschap. Scheut, de volksparochie in Brussel, heeft zich bewust gericht op de heidense uiterwaarden en de goede boodschap gebracht naar ongelovige contreien als Mongolië, China en Japan. Maar de Vlaamse scheutisten worden oud.

Ze zijn nog met 26 (op 46) in Japan, een ervan is nog van middelbare leeftijd (goed in de zestig dus), Ludo Goossens. De anderen beginnen pas vanaf tachtig te tellen. De jongeren, die komen uit de Filippijnen, Indonesië, Congo en eentje uit Brasschaat. Japan binnengeraken is makkelijker dan in China, bekeren (of overtuigen) een stuk moeilijker. Goossens zucht: “Ze denken niet zoveel na, die Japanners”. Wat later: “Eigenlijk zijn ze zo goed als a-religieus”.

Als ik dan vraag hoeveel christenen er nog rondlopen, antwoordt hij bedeesd maar optimistisch: “Toch iets meer dan duizend. We zitten in vier districten: Tokio, Osaka, Yokohama, Hirosjima”. Een van die duizend was Mitsjio Ogata – zeven jaar geleden gedoopt, maar intussen wel al sinds 1978 getrouwd met Lowie Fransen uit Hoogstraten. Ze was zijn model.

“Waar hij al die kunstzinnige inspiratie heeft gehaald, blijft me een raadsel”, zegt Goossens. “Ten slotte doorliep hij snel alle stadia van de missionaris. Gewijd op zijn 25e, gaf een jaartje les in Mol, dan noviciaat, vijf jaar Nagasaki, in 1964 tekende hij op een half jaar de hele kerk van Sakai uit, een doopkapel met keitjes die het water symboliseren, mozaïeken, een kruisweg in fresco, en glasramen, allemaal zijn werk. Ik heb er zelf dertien jaar gestaan, bewonderenswaardig”.

Maar het is net die artistieke aanleg die hem een heel ander spoor deden bewandelen. Niet Lowie bekeerde, hij werd bekeerd. Tot een andere levensstijl, een inzicht in de natuur, de uitdieping van pure essentie. Zijn monumentale kunst kon hij verfijnen omdat Scheut hem twee jaar liet voort studeren. In Gent. Tilburg. Parijs. En de Tokyo Geidai Gakuin, waar hij zelf lector werd.

Ommekeer

De ommekeer gebeurde toen hij scheep ging met de een Japanse collega, hoewel hij toen al leefde als een echte bohemien, drank, sigaren, uiteindelijk ook vrouwen. Maar het opende een andere wereld voor hem, die van openbare opdrachten: op vliegvelden, in stations, in de metro, muren vol. Haijima, Minato Mirai, Ushigome Yanagi, Yokohama, Chiba monorail, Omiya. Uiteindelijk zou zijn laatste grote opdracht ook een bittere nasmaak nalaten.

Hij had een groot paneel gemaakt voor de opening van de nieuwe luchthaven Ibaragi. Dat is uitgemond in een schandaal, er was hooguit één enkel vliegtuig dat die dag de luchthaven aandeed en naar Seoel vloog. Om zijn eer te beschermen – en ook om niemand op de idee te brengen dat er veel geld tegen een zinloos project was aan gegooid – werd zijn kunstwerk bedekt met een doek, niemand heeft hem de schande aangedaan.

Waardig afscheid

Fransen was al een tijdje bedlegerig na een heupoperatie. Goossens: “Toen werd ongeneeslijke leukemie ontdekt. Hij was er ondersteboven van. Maar hij wou in geen geval in een geïsoleerde kamer wegkwijnen. Hij praatte nog twee dagen met zijn vrouw, en liet zich in alle rust naar het ziekenhuis van Odawara voeren. Hij stierf vroeg in de ochtend. Omdat de ‘Gouden Week’ in aantocht was, is hij snel verast, er is niet gewacht op de zoon van zijn enige, nog levende zus”.

Het werd een waardig afscheid. Weduwe Mitsjio zei met ondoorgrondelijke glimlach: “Ik geef hem terug aan zijn god”. En het afscheidsritueel gebeurde in de kapel van Sei Maria ryô, een plek waar hij vaak rust kwam zoeken en die hij zelf had ingericht. Getormenteerde figuren, maar in felle kleuren, verstrengeld met natuurbeelden – het was het amalgaam van eigen, tomeloze inspiratie, de kracht van de sensei, de directheid van de Mexicaanse fresco’s die hij zich eigen had gemaakt, en het eindeloos verlangen naar een hogere dimensie.

Hoogstraten bleef ver, maar kleefde in zijn vel. Misschien was dat nog de grootste bijdrage van een man die leerde te leven als een Japanner met de Japanners – maar dat kleine Kempische hoekje dat eraf was, bleef hem onderscheiden. De eerste westerling die ooit een doctoraat in de Oosterse wijsbegeerte haalde in Japan, heeft die wijsheid omgezet in breekbare fragmenten: mozaïeken, glasramen, aardewerk, keramiek.

Vanop afstand zijn ze zoveel imposanter dan voor wie er met zijn neus opzit. Misschien is het rechtvaardigheid dat hij net in Odawara de geest gaf. De laatste stad die nog gebombardeerd werd door de Amerikanen, op 15 augustus 1945. Als Rui Ogata’s kunstwerken iets gedaan hebben voor meer begrip en verzoening, dan is zijn leven meer dan zinvol geweest.

Lukas De Vos