"Van Eyck tot Dürer" in Brugge

In 2002 was Brugge met veel succes Culturele hoofdstad van Europa. Op dit elan gaat de stad verder. Deze herfst richt ze haar blik op het Oosten, op Centraal-Europa. Luc Tuymans zorgt voor een overzicht van de actuele beeldende kunst; in het Groeningemuseum loopt de prestigieuze expositie "Van Eyck tot Dürer" met als ondertitel "de Vlaamse Primitieven & Centraal-Europa 1430-1530".
Anoniem - portret van een vrouw

Deze rijk gestoffeerde tentoonstelling geeft een overzicht hoe de vijftiende eeuwse kunst meer en meer naar het realisme evolueerde waarbij de rol van o.m. Van Eyck, Hans Memling en Roger Van der Weyden baanbrekend is geweest.

Het eerste werk waar de bezoeker mee geconfronteerd wordt is ‘Besnijdenis’ van een anonieme Neurenbergse meester. Met fotografische precisie ( de Duitse kunsthistoricus Alfred Stange: “ een houding van volstrekte objectiviteit”) wordt getoond hoe het kind Jezus exact volgens de Joodse traditie wordt besneden.

In dezelfde zaal hangt van Van Eyck ‘Maria met Kind en kanunnik Joris van der Paele’

(1434-36, olie op eik ). Het contrast is groot: op het eerste gezicht lijkt het werkelijkheid maar het is een visioen. De symmetrie van de personen wordt verlaten om plaats te maken voor de Italiaanse vroegrenaissance. Ook opvallend: de kleuren schakeren fraaier en zijn ook intenser en de diepte is beter uitgewerkt. Dit blijkt ook uit ‘Maria met kind’ (1443,olie op eik ) waarbij de stad gedetailleerd werd geschilderd, overigens is het vergezicht gebaseerd op modeltekeningen die in het atelier van Van Eyck aanwezig waren.

De kruisiging

Meester van de Passie van Darmstadt wilde met zijn ‘Kruisdraging’ en ‘Kruisiging’ (ca.1450, olie op paneel ) de realiteit helemaal niet weergeven hoewel hij werken van Van Eyck of een kopie ervan moet gekend hebben.

De meester uit Darmstadt lijkt zijn personages wel ‘ uit te snijden’. Ook de kleurstelling is bizar: de meeste tinten situeren zich binnen het geel-rood-oranje en het aanbrengen van clair-obscur. Het geheel wordt vlak voorgesteld en achteraan is er geen landschap wel een goudgelig doek met motief. Het lijden van Christus als toneel met een schitterende lichtregie waarbij alle aandacht gaat naar de hoofdfiguren.

Veertig jaar later schilderde Hans Memling ‘Kruisiging’: de compositie van de figuren is breed en ruim, de kleuren zijn warmer en de achtergrond met stad en lucht is volledig uitgewerkt.

Albrecht Dürer

Einde van de vijftiende eeuw was Brugge een internationale stad van handel en kunsten. De werkplaatsen kregen veel bestellingen. Zo ook Gerard David, voor ons een ontdekking op deze tentoonstelling. David kreeg geen vermelding in de aantekeningen van Dürer toen die in 1520 -21 in de Nederlanden verbleef. En dat is merkwaardig omdat David de Antwerpse schilder Joachim Patinir heeft beïnvloed. En het was uitgerekend Dürer die bij Patinir in Antwerpen logeerde.

David integreerde een Bijbels tafereel in een complex, uitvoerig en gedetailleerd weergegeven landschap waarbij het water en de weerspiegelingen met precisie werden geschilderd. Hiermee zette hij de traditie van de drie grote, Memling, Van der Weyden en Van Eyck verder. Patinir baseerde zich op David om zijn ‘Landschap met de Doop van Christus’ (ca. 1521-24 olie op eik) te concipiëren. Bij hem nam het landschap de vorm van een panorama aan. In de catalogus lezen we: ‘ Het is de ironie van de geschiedenis dat alle lof en waardering van Dürer van begin af aan naar Joachim Patinir is gegaan, en dat het tot in de twintigste eeuw heeft moeten duren voor de kwaliteit, het belang en de betekenis van Gerard Davids landschapsuitbeelding zijn rechtmatige plaats heeft gevonden in de kunstgeschiedenis’.

Dürer eindige op zijn negentiende zijn leertijd in het atelier van Michaël Wolgemut die met één paneel uit ca. 1485 op de tentoonstelling aanwezig is. Het is een busteportret van Levinus Memminger waarbij de rechtarm evenwijdig aan de schilderijlijst rust op een borstwering. Dat kan je als typisch Vlaams omschrijven. Het interieur met doorkijk naar een landschap is dat zeker.

Dürer was een vijftiger en bekend toen hij met zijn vrouw naar de Nederlanden kwam. Hij kwam niet om te leren van onze schilders, neen zij leerden van hem. De gravuretechniek van Dürer was zo uniek dat de groten uit die tijd zoals Quinten Metsys, Jan Gossaert en Lucas van Leyden maar al te graag naar de meester gingen kijken.

De kopergravure ‘De heilige Hiëronymus in zijn studeervertrek’ uit 1514 was vele kunstenaars dienstbaar zoals Lucas Cranach, die andere Duitse grootmeester die wel meer buurtje leen heeft gedaan bij Dürer.

Want het moet gezegd: de grote expositie ‘De wereld van Cranach’ in Bozar sluit naadloos aan bij de expositie in het Groeningemuseum.

Dürer heeft wel gekeken naar Van Eyck en Memling hoe zij hun portretten hebben gemaakt waarbij de houding van het lichaam de status en de persoonlijkheid van de geportretteerde onderstreept. Van Eyck laat zijn portret tot leven komen door de ogen, de blik. Dürer kiest naast ( bescheiden ) uiterlijk vertoon ook voor gelaatstrekken die de psychologie verraden, bij hem mag een geportretteerde plots nors kijken.

‘Van Eyck tot Dürer’ is een rijke en interessante expositie die zich niet gemakkelijk laat lezen. De opstelling van de werken oogt hermetisch waardoor een afstandelijkheid ontstaat.

De grote exposities in Brussel ( zoals ‘De wereld van Cranach’ en ‘Ensor ontmaskerd’) tonen aan dat wij beschikken over uitstekende scenografen om dergelijke tentoonstellingen een aantrekkelijke en uitnodigende look te geven.

Yves Jansen

Van Eyck tot Dürer’ of de Vlaamse Primitieven & Centraal-Europa 1430-1530, tot 30 januari 2011

www.bruggecentraal.be