Lexicon van de financieringswet

De Nationale Bank en het Planbureau hebben hun huiswerk gemaakt en de voorstellen voor een nieuwe financieringswet van de verschillende partijen doorgerekend. Om u te helpen het bos door de bomen te blijven zien, staan hieronder een aantal begrippen die u bij het lezen van die voorstellen kunnen helpen.

Financieringswet: Wet die de geldstromen in ons land regelt. Er wordt in bepaald hoeveel geld van de federale overheid naar de gewesten en gemeenschappen gaat. De wet dateert uit 1989 en is volgens de Vlamingen om verschillende redenen dringend aan herziening toe. Franstaligen en Brusselaars zien dit niet goed zitten omdat ze vrezen dat ze hierdoor zullen verarmen (zie solidariteitsmechanisme). De wet kan enkel aangepast worden met een tweederdemeerderheid en is onder andere daardoor een van de oorzaken van de huidige politieke impasse.

Responsabilisering: Principe waarbij de deelstaten verantwoordelijk worden voor de eigen middelen, gekoppeld aan de financieringswet. Zo zouden deelstaten ook eigen belastingen kunnen heffen en afgerekend kunnen worden op hun financiële beleid. Ook hier geldt: eis van de Vlamingen waar Franstaligen erg weigerachtig tegenover staan.

Solidariteitsmechanisme: De herziening van de financieringswet zou onder meer hiertoe moeten leiden. Solidariteit betekent in België dat Vlaanderen jaarlijks voor zowat 1 miljard euro solidair is met Wallonië en Brussel. Het noorden betaalt dat bedrag namelijk elk jaar uit aan het zuiden bij de verdeling van de personenbelasting. Het solidariteitsmechanisme geeft aan regio’s waarvan de opbrengst van de personenbelasting lager ligt dan het gemiddelde, een extraatje om de kloof met de rest van het land wat te dichten. Naarmate de regio dus rijker wordt, vermindert dit bedrag. Wanneer Wallonië en Brussel dus rijker worden, ontvangt hun overheid eerder minder dan wel meer middelen (zie ook: perverse effecten). Vandaar dat zij weinig enthousiasme vertonen voor de aanpassing van de financieringswet.

  • Verticale solidariteit: federale staat int al het geld en herverdeelt het dan, dus transfers naar armere regio’s gebeuren vanuit de federale staat
  • Horizontale solidariteit: de deelstaten betalen solidariteit aan elkaar (huidige systeem in ons land), dus transfers naar armere regio’s gebeuren vanuit de rijkere regio’s (in casu Vlaanderen).

Dotatie: De federale overheid heft belastingen en geeft dat geld deels door aan gemeenschappen en gewesten onder de vorm van een dotatie. In de huidige financieringswet wordt de omvang van de dotaties voor de gewesten en gemeenschappen bepaald door de economische groei. De verdeling van de middelen (in totaal 22 miljard euro) steunt in grote mate op de fiscale capaciteit van de deelstaten (de opbrengsten van de personenbelasting).

  • De gewesten worden voor het grootste deel gefinancierd op grond van de opbrengst van de personenbelasting gelocaliseerd per gewest. De dotatie is tevens gekoppeld aan de index en economische groei. Gewesten worden verder gefinancierd met eigen belastingen (opcentiemen op de onroerende voorheffing, registratierechten (3,961 miljard euro in 2008), successierechten (1,804 miljard euro in 2008), verkeersbelasting (1,350 miljard euro in 2008) plus nog enkele verwaarloosbare belastingen. Deze middelen (eigen inkomsten) zijn goed voor slechts 20 à 30 procent van de totale inkomsten van de gewesten.
  • De gemeenschappen worden hoofdzakelijk gefinancierd door een dotatie vanuit de btw, die verdeeld wordt op basis van een ingewikkelde sleutel, die rekening houdt met het aantal min-18-jarigen en leerlingenaantallen in een gemeenschap. 

Perverse effecten (van de huidige financieringswet): Effect dat inhoudt dat een overheid meer geld krijgt als er minder inwoners aan het werk zijn. Armere regio’s (Wallonië en Brussel) hebben er - toch wat hun inkomsten uit de financieringswet betreft - weinig belang bij om rijker te worden. Naarmate hun inkomen toeneemt, nemen de inkomsten die ze van het federaal niveau krijgen immers af. Dit kan uiteraard niet de bedoeling zijn. Men wil deze effecten dus tegengaan met een herziening van de financieringswet.

Gedeelde belastingen: Belastingen die volledig identiek worden geheven over het gehele grondgebied van het rijk, maar waarvan een deel volgens bepaalde criteria wordt toegewezen aan de gewesten of gemeenschappen. Dit zijn op dit ogenblik de personenbelasting (gewesten) en de btw (gemeenschappen).

Verhouding personenbelasting/inkomsten staat: Momenteel int de federale overheid de personenbelastingen en verdeelt die naar de regio’s. In de nieuwe financieringswet wil men de regio’s zelf een groot deel hiervan laten innen. Bart De Wever (N-VA) stelde 45% voor. In het huidige systeem is de verhouding van de inkomsten uit de personenbelasting tegenover de totale inkomsten van de staat iets minder dan een vierde.

Progressiviteit belastingen: Principe dat ervoor zorgt dat wie meer verdient in een hoger belastingstarief terechtkomt. De percentages stijgen per inkomensschijf.

Fiscale autonomie: Betekent dat een gewest een belasting zelf bepaalt. De inzet van de strijd om de financieringswet is het verhogen van deze autonomie voor de gewesten.

Financiële verantwoordelijkheid: Bepaalt dat een regio zelf verantwoordelijk is voor de inning en het beheer van de inkomsten (en bepaalt dat een regio die goed of slecht presteert daarvan de gevolgen draagt).

Fiscale capaciteit:

  • Theoretisch: economisch begrip dat aanduidt wat de economische en financiële mogelijkheden zijn van een politieke eenheid (staat, gewest, provincie, gemeente enz.) om (1) ofwel een bedrag op te brengen met alle belastingen waarvoor het de juridische bevoegdheid heeft om die te heffen, (2) ofwel een bedrag op te brengen met één bepaalde belasting waarvoor het bevoegd is (fiscale capaciteit voor die belasting).
  • Concreet: de potentiële opbrengst bij een gegeven belastingtarief (gemeten op basis van het belastbaar inkomen per hoofd). Een arme regio heeft een lagere fiscale capaciteit, of anders uitgedrukt: die regio kan enkel dezelfde belastingopbrengst per inwoner genereren als haar tarieven opgetrokken worden.

Netto belastbaar inkomen: Het belastbare inkomen dat overblijft na alle mogelijke inkomensaftrekken (bedrijfskosten, premies levensverzekering, ...). Op basis van dit netto belastbaar inkomen wordt de personenbelasting berekend. Achteraf kunnen eventueel nog belastingverminderingen toegekend worden (bijvoorbeeld pensioensparen).

Inningsgraad van de belastingen: Het percentage dat effectief naar de staatskas vloeit. Een failliete onderneming zal wellicht een belangrijk deel van de verschuldigde vennootschapsbelasting niet kunnen betalen; daardoor daalt de inningsgraad.

Belastingvoet: (1) Synoniem voor belastingtarief, (2) in economische betekenis percentage van het bruto binnenlands product dat in een land aan belastingen wordt geheven.

Bonus-malussysteem gekoppeld aan geleverde arbeidsmarktprestaties: Groen! pleit voor een systeem waarbij de evolutie van de werkzaamheidgraad en/of de jobcreatie als parameter wordt gehanteerd, gekoppeld aan een bonus/malus-systeem. De goede werkers (al is niet duidelijk wie dit zijn en hoe dat wordt bepaald) worden zo dus beloond en de slechte worden gestraft.

Split-rate is een vorm van fiscale autonomie en betekent dat de bestaande tariefstructuur van de federale personenbelasting in twee stukken wordt gesplitst, bijvoorbeeld 50%-50%. Eenmaal het belastbaar inkomen is vastgesteld, betaalt de belastingplichtige voortaan personenbelastingen aan de federale overheid (in dit voorbeeld de helft van het bedrag) en aan een regio – in eerste instantie precies evenveel. Deze vorm van fiscale autonomie betekent dat de federale overheid en de regio’s later hun eigen tariefstructuur kunnen aanpassen.

Op- en afcentiemen: Een mildere vorm van fiscale autonomie dan de split-rate-variant. Hiermee wordt het percentage bedoeld waarmee het bedrag van een belasting (niet het bedrag van het belastbare inkomen) mag worden verhoogd of verlaagd. Volgens de bestaande financieringswet kan Vlaanderen bijvoorbeeld reeds opcentiemen heffen of kortingen toestaan op de personenbelasting, evenwel na akkoord van de federale overheid en de andere gewestregeringen. De meest voorkomende vorm zijn de gemeentelijke opcentiemen op de personenbelasting (die verschillen van gemeente tot gemeente). Een opcentiem van bijvoorbeeld 7 betekent dat de gemeente het bedrag dat verschuldigd is als personenbelasting aan de Belgische staat mag verhogen met 7%. De gewesten kunnen ook op- en afcentiemen heffen tot een bedrag van maximaal 6%.