"Pensioenstelsel creëert ongelijkheid"

Het pensioenstelsel in ons land is ondermaats en creëert alleen maar ongelijkheid. Dat blijkt uit de Belgische Pensioenatlas, een analyse door de K.U.Leuven die op vraag van de federale overheidsdienst Sociale Zaken werd uitgevoerd.

Het gemiddelde wettelijke pensioen, de zogenoemde eerste pensioenpijler, bedroeg in 2007 1.220 euro bruto. Er zijn echter heel wat onderlinge verschillen. Mannen kregen gemiddeld 1.444 euro, vrouwen 1.037 euro. Gepensioneerden tussen 60 en 64 jaar ontvingen gemiddeld 1.537 euro, 85-plussers gemiddeld maar 1.160 euro. Ook het verschil tussen zelfstandigen en ambtenaren is groot: gemiddeld 569 euro tegenover 2.227 euro.

Het wettelijke pensioen is ondermaats en niet iedereen kan zijn comfort behouden, concluderen de onderzoekers. Dat probleem kan worden gecompenseerd door een aanvullend pensioen via de werkgever, de zogenoemde tweede pensioenpijler. Maar slechts 35 procent van de huidige gepensioneerde werknemers beschikt over zo'n aanvullend pensioen. Bovendien gaat het dan meestal om mensen met een hoog wettelijk pensioen, wat de ongelijkheid nog verder in de hand werkt.

Drie pijlers in pensioenstelsel

In de meeste landen, ook in België, bestaat het pensioenstelsel uit drie pijlers.

  1. het wettelijk pensioen, waar de actieve beroepsbevolking, werklozen en zieken recht op hebben. Het is een basisinkomen voor elke gepensioneerde dat door de overheid gegarandeerd wordt. Het wordt gefinancierd op basis van het solidariteitsprincipe: iedere actieve werknemer, zelfstandige en ambtenaar betaalt sociale bijdragen om het wettelijk pensioen te financieren.
  2. het aanvullend pensioen, rechten die werknemers tijdens hun loopbaan opbouwen. Een onderneming of een hele bedrijfssector kan een aanvullend pensioenstelsel toekennen. Het is een mogelijkheid, maar geen verplichting. Werkgevers en werknemers betalen premies om het aanvullend pensioen te financieren.
  3. individueel pensioensparen. Deze derde pijler is vrijwillig.