Vier maanden na de overstromingen in Pakistan

Journalist Stefan Blommaert reisde vorige week door Pakistan en zag dat nog hele landschappen onder water stonden en dat er van een heropbouw nauwelijks sprake is.

Ze wuiven naar ons. Ze staan daar een paar honderd meter verder op hun eiland, naast een tent die onderdak moet bieden zolang het door de overstromingen verwoeste huis niet is heropgebouwd. Ze zijn met tien of meer, een hele familie, op een vierkante meter of tweehonderd. Rondom alleen maar water. Het is december 2010, bijna vijf maanden na de overstromingen in Pakistan. 

De ellende was eind juli begonnen in de noordelijk gelegen Swatvallei. Na weken van zware regenval trok de ongezien gezwollen rivier Swat een verwoestend spoor doorheen de vallei. En daarna was er de Kaboelrivier, en nog een reeks andere waterlopen, en dan natuurlijk de legendarische Indus, die het land van noord naar zuid doorklieft. De watermassa spoelde doorheen de provincie Khyber Pakhtunkhwa, vervolgens de Punjab, om uiteindelijk ook de meest zuidelijke Sindhprovincie te bereiken. Net voorbij de monumentale dam van Sukkur – die een hele tijd op barsten stond – ontstond er na een dijkbreuk gewoon een nieuwe rivier, ten westen van de Indus. En dan ging het kolkende geweld naar het Mancharmeer, het grootste zoetwaterreservoir van Pakistan. Alweer een nieuwe dijkbreuk zorgde voor het onderlopen van een reusachtig landbouwgebied.

En daar staan we nu dus, ruim vier maanden later, tegenover de wuivende eilandbewoners. Het water is niet weggetrokken, omdat het nergens heen kan. De velden en akkers vormen een soort bassin, en de ondergrond bestaat uit schier ondoorlaatbare klei. Zo ver je kunt kijken reikt het water.

De dorpelingen worden intussen aan hun lot overgelaten. Ze kregen tenten, en daar moeten ze het mee stellen. Meteen na de overstromingen waren ze opgevangen in grote kampen, maar die zijn intussen gesloten. Ze moesten dus wel naar huis. Huis, steenhoop, moddereiland in de nieuwe reuzenpoel.
De Pakistaanse regering had financiële steun beloofd voor de slachtoffers van de zondvloed. Dat zou gebeuren in de vorm van een ‘Watan Card’, een soort van debetkaart ter waarde van 20.000 roepies, een kleine 200 euro. Hier in het waterdorp hebben ze daar nog niets van gezien. Maar zelfs als dat wel gebeurt: “20.000 roepies is juist genoeg om een maand van te overleven”, roept iemand me toe. “En dan moeten we nog beginnen aan de heropbouw van ons huis.”

Dit is niet de enige streek waar het water heer en meester blijft. Tijdens onze tocht door de Sindhprovincie komen we nog verscheidene andere verzopen plekken tegen. En tentenkampen. In zeker opzicht lijkt de situatie van augustus bevroren in de tijd. Er is amper iets gebeurd, sindsdien. En dezer dagen is het nog redelijk warm in het zuiden van Pakistan, maar straks doet de winter er de temperatuur ook tot onder de tien graden dalen. In de internationale media zijn de overstromingen allang vergeten. Daar in de dorpen en velden van het verre Pakistan allerminst. Ik durf er niet aan denken hoe lang het zal duren voor dit land weer min of meer zal zijn heropgebouwd.

Stefan Blommaert