Jan Fabre laat kevers los in Nederland

In het Kröller-Müllermuseum in de Hoge Veluwe is een grote overzichtsexpo gestart van Jan Fabre. De hele lente en zomer kunnen bezoekers zich onderdompelen in het werk van de Belgische kunstenaar.

Er is vooreerst de onwaarschijnlijke omgeving, het natuurpark de Hoge Veluwe, honderden hectaren ongerepte heide, duinen en bos. Er is het uitzonderlijke museum Kröller-Müller in Otterloo, een ontwerp van onze Henri Van De Velde…

Het gaat eigenlijk om een noodconstructie, want toen de schatrijke mevrouw Helena Kröller het oorspronkelijke veel grotere en swingender ontwerp van Van De Velde wilde uitvoeren, sloegen crisis en oorlog toe.

Maar de reserve-oplossing staat er nog, en is met zijn lichte zalen en grote glasoppervlaktes, die optimaal daglicht over de kunstwerken laten vallen, ideaal voor een museale functie. 300.000 bezoekers per jaar, die moet je verdienen elke dag.

Kröller-Müller is een van Nederlands grootste en van ’s werelds mooiste musea, ook dankzij de tuin, vergelijkbaar met het Middelheimpark in Antwerpen, bezaaid met beeldende kunst, aardige paviljoenen en landschappelijke ingrepen. Aan de periferie van de Hoge Veluwe staat het prachtige Sint-Hubertus-jachtlandhuis van Berlage, met een interieur van Van De Velde. De vaste collectie heeft mooi werk van Ensor. België boven.

Hortus/Corpus

Dit is het terrein dat Jan Fabre (1958) stormenderhand verovert vanaf dit weekend, met 100 werken, geplukt uit zijn hele carriere, van 1977 tot nu, klein en groot, op papier en zaalvullend monumentaal. Vijf sculpturen en beeldengroepen staan buiten, onder meer de Man die de Wolken Meet, aan de ingang van het vrij lage hoofdgebouw, bijna tastbaar vlakbij.

Achterin de tuin heeft Fabre 18 zelfbustes opgetrokken, met hoornen, geweien, lange neuzen, en met de ezelsoren die hij moest opzetten in de lagere school. Het zijn evenvele facetten van de het jonge genie, de oude wetenschapper, de misdadiger, de clowneske charlatan Fabre.

Hortus/Corpus, tuin en lichaam, het is maar 1 van de vele contrasten die Fabre in deze indrukwekkende overzichtstentoonstelling verkent. Het gaat ook over lichaam en ziel, brein en bloed, voortplanting en dood. Fabre is een van de meest lichamelijke kunstenaars van dit moment. Het begint al met kleine schilderijtjes, met verf en bloed, urine, sperma en tranen. Bij die werkjes vermeldt hij waarom hij de tranen plengde: verdriet, te lang in het licht gekeken, te veel sigarettenrook, uien geschild. Aan de rommelig neergegooide graftomben voor insecten en geleerden, die we kennen van vorige projecten, heeft Fabre een ejaculerende jonge kunstenaar toegevoegd. Het zaad valt tussen wel erg dorre steenrotsen.

Het glazen brein

Fabre werkt met reeksen en gelukkig kreeg Kröller-Müller er een aantal weer bijeen. Er zijn werken in glas, gebicte grote platen met oren en uilen, en voetbalgrote planeten, die bij nader inzien bewoond blijken door kronkelende zaadcellen.

Verschillende vitrines tonen hersenen, op ware grote, er groeien planten en crucifixen uit, ze zijn gewond en bloeden, terwijl een herkenbare miniatuur Fabre zijn grijze massa probeert te mennen.

Op stapels glazen knekels en botten liggen, wat Fabre noemt, harten en geslachtsorganen van de toekomst. Erg bizar zijn de ruimtevaarder, een gehangene, een wetenschapper met microscoop, die laatste met hamplakken rond zijn benen, mansgroot, helemaal bedekt met kleine koperen punaises. Vlakbij het restaurant en het terras van Kröller-Müller verschijnt de Man Die Vuur Geeft, een intiem en levensecht maar toch fel glimmend brons.

Scabreuze scarabeeën

Maar torren, en bij uitbreiding insecten, zijn uiteraard hét handelsmerk van Fabre. En ze zijn opnieuw met miljoenen aanwezig. Je kan de evolutie prachtig volgen, het begint met kleine tekeningen eind jaren 70 van mestkevertjes. Daarna komen sculptuurtjes, vergelijkbaar met opgeprikte kevers in het natuurhistorisch museum.

Geleidelijk voegt Fabre elementen toe, een spin heeft 2 rompen of vleugels of een valscherm, torren krijgen een lampje, een pen of penseel in hun kop. Doodskoppen, weer op ware grootte, helemaal opgetrokken uit dekschilden, houden een vogeltje, eendenkuiken, mol of wezel tussen hun rotte tanden.

Bijzonder indrukwekkend is de Congo-zaal, vergelijkbaar met en toch heel verschillend van de koloniale werken van Luc Tuymans, nu te zien in Bozar Brussel. Fabre gaat voluit. Op de vloer in de enorme zaal ligt een uitgeknipt omgekeerd plafond, de luster groeit als een boom de verkeerde kant op en uit de dekschilden-mozaïek kruipt een zwarte man met gegeselde rug.

De verwijzing naar het plafond van Paola is duidelijk. Aan de wanden hangen grote werken, ook samengesteld uit groen-paarse dekschilden van de juweelkever, die Lumumba, Leopold 2, een kind met afgehakte hand en andere Congolese thema’s voorstellen. Een beklijvend ensemble.

De fabeldiertjes zijn ook spelers, in een miniatuur kicker-voetbaltafeltje, en op het slagveld. In 4 zandbakken rukken honderden torren van verschillende kleuren op die als soldaten in het gelid kanonbollen voor zich uit rollen. Een uitvergrote bronzen versie, stukken harnas, armbeschermers, karkassen, ligt buiten tussen de bomen.

Levensvreugde

In zijn onstuitbaar dynamisme is Fabre soms te veel, en af en toe blijft hij net onder de grens van de kitch. Maar zijn oeuvre is genereus en krachtig, arrogant en ook ironisch. 30 werken blijven in Otterloo, in contrast met Mondriaan en Toorop, een forse stoot zwetende, zwoegende, kreunende lichamelijkheid in een streng en beheerst milieu. Nog de hele zomer.

Lucas Vanclooster