"Ik wil de zee nooit meer zien"

Journalisten Veerle de Vos en Tom Van de Weghe zijn teruggekeerd naar Japan, 2 maanden na de aardbeving en de tsunami die de kerncentrale van Fukushima zwaar heeft getroffen. Om beurten vertellen ze hun ervaringen en bedenkingen in een dagboek op deredactie.be. Vandaag: Veerle de Vos.

Het is lente in Japan, ook in het rampgebied. We zijn op weg naar Rikuzentakata, een van de zwaarst getroffen plekken in Japan. Toen we hier half maart halsoverkop weer naar Tokio vertrokken, sneeuwde het en was het bitterkoud. Nu zijn de hellingen van de bergen weer groen, de kerselaars staan uitbundig in bloei en de vogels zingen.

Maar als we na een scherpe bocht de laatste helling naar de kust afrijden, slaat de totale verwoesting ons toch weer met verstomming. Op sommige plekken heeft de tsunami tot twee kilometer landinwaarts toegeslagen, de zee heeft zich tussen de eerste berghellingen gewurmd en alles meegenomen.

Het verschil tussen geluk en ellende scheelt hier soms maar een paar tientallen centimeters. Het ene huis ligt volledig in puin, dat van de buurman die een halve meter hoger woonde, staat er nog.

Als we de enorme desolate vlakte binnenrijden waar ooit het centrum van Rikuzentakata lag, zien we tientallen politieagenten aan het werk. Ze hebben een lange stok in hun handen waarmee ze prikken in het puin. Twee maanden na de verwoestende tsunami zijn ze hier nog altijd op zoek naar lijken. 23.000 mensen woonden er hier, 1.000 zijn er dood, naar 1.300 vermisten zijn ze hier nog altijd op zoek.

“Elke dag vinden we hier nog een paar lijken”, zegt de commandant. Aan de rand van de weg leggen ze de weinige bezittingen die ze nog terugvinden in plastic bakken. Een paar besmeurde fotoboeken met trouwfoto’s. Een ingelijst diploma. Een ongebroken bord. Een knuffel vol modder. Waardeloze spullen die voor de overlevenden die alles verloren misschien wat troost kunnen bieden.

Tsunami-muur heeft gefaald

Een eind verderop wordt het puin met bulldozers op grote hopen geduwd. Het drama van deze stad is dat de inwoners zich relatief veilig waanden. Het centrum werd beschermd door een tsunami-muur van 6 meter en de haven kon worden afgesloten met sluisdeuren. Maar noch de muur, noch de sluizen waren bestand tegen een golf van 13 meter hoog.

We gaan op zoek naar het gemeentehuis. Dat is op 11 maart verzwolgen door het water, samen met het politiekantoor en de brandweerkazerne. Hogerop, in de bergen, hebben alle diensten een tijdelijk onderkomen gevonden.

We praten met Tamoyuki Murakami, de persverantwoordelijke van het gemeentehuis. “Van de 8.000 woningen zijn er hier 3.300 vernield. Eén derde van het gemeentebestuur is omgekomen.” Op de muur hangen foto’s van zijn gestorven collega’s en hun kinderen.

Niet op tijd weggeraakt

We ontmoeten Kanno Tatsuya, een vrijwilliger bij de brandweer (grote foto boven). Op 11 maart was hij aan het werk in een nabijgelegen dorp. Toen hij hoorde dat er een tsunami naderde, sprong hij meteen in zijn wagen en reed naar het centrum van Rikuzentakata.

“Het eerste wat ik zag, was een grote gele stofwolk, het leek wel vuur” zegt hij, nog altijd onder de indruk. “Toen ik het water zag naderen, moest ik rechtsomkeer maken”. We vragen hem of hij ons wil tonen waar de tsunami-muur ooit stond. Kanno Tatsuya twijfelt. Vroeger was de zee zijn favoriete plek, nu wil hij er liever niet meer komen. Speciaal voor ons rijdt hij voor het eerst terug naar de kust.

Meteen bij het binnenrijden in wat ooit het centrum was, ziet hij zijn oude brandweerwagen liggen. De wagen is helemaal verhakkeld. “Drie van mijn collega’s zaten hierin, ze gingen mensen evacueren. Maar toen ze wilden wegrijden, geraakten ze vast in de file. Twee van de drie zijn verdronken.” Enkele honderden meters verderop stond het huis van zijn ouders. Ook zij zijn niet op tijd weggeraakt. Kanno Tatsuya kijkt een hele tijd peinzend naar de zee. Twee maanden na de ramp is hij nog altijd sprakeloos bij wat hier gebeurd is. “Tegen de kracht van de natuur kunnen wij mensen niet op”, zegt hij stil.

Een eindje verderop zie ik in de modder een kinderschoentje liggen. Daarnaast staat een tulp vrolijk te bloeien. Dit moet ooit een tuintje geweest zijn. De bloem heeft zich naar boven gewurmd tussen het puin. Ook dat is de natuur. Ik zie het als een teken van hoop.

Veerle de Vos