De allerlaatste getuigen - het boek

Gedurende een jaar, van de lente 2009 tot het voorjaar 2010, interviewde een VRT-team van het project 2014-18 een honderdtal hoogbejaarde mannen en vrouwen die kind waren tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op basis hiervan verscheen het boek “De allerlaatste getuigen van WO1” van Philip Vanoutrive. De verhalen van 43 getuigen doorkruisen 23 themahoofdstukken waarin hun oorlogsherinneringen telkens verweven zijn met historische achtergrondinformatie. Op levendige wijze vertellen ze over hun ervaringen en belevenissen. Weerzinwekkende anekdotes over dood en vernieling maar ook ontroerende of grappige verhalen kunnen ze zich nog levendig voor de geest halen. Voor de ene was het een 'mooie en leuke' tijd – er gebeurde eens wat! Voor de andere spatten de kinderdromen als een ontploffende granaat uiteen.

Bertha Kempeneers (1909) zag Leuven branden en verloor zes zussen en broers door de Spaanse griep.
Bertha was het zevende kind van een bende van negen. Vanaf een hoogte in Bierbeek, waar ze woonde, zag Bertha Leuven branden. Toch zou deze verschrikking in de schaduw van haar persoonlijk leed komen te staan, geeft Bertha toe. In de herfst van 1918 joeg de Spaanse griep naar schatting 20 tot 50 miljoen mensen de dood in. ‘Eerst werden mijn twee oudste zussen ziek’, zegt Bertha. ‘Ida en Lydia zijn met twee dagen verschil gestorven. Ze werden samen begraven en ik kan die sombere herfstdag maar niet vergeten. Moeder had zich uit bed gesleept en samen keken we naar de treurige rouwstoet die onder het slaapkamerraam voorbijtrok. Moeder kneep in mijn hand en gilde: “Neen, neen… daar gaan ze met mijn kinderen.” Het was pas het begin van een groot drama!’
 

Philemond Van den Eynde (1907) was 7 jaar toen hij in Walem getuige was van de executie van twee Belgische soldaten.
De twinkeling in de ogen van Philemond dooft uit als hij terugdenkt aan die bewuste maandagmorgen van 21 september 1914. Philemond: ‘“Gij gaat mee kijken’, zei mijn vader, en ge zult iets zien wat niemand anders later zal kunnen navertellen. Over honderd jaar zal er nog over gepraat worden.” De twee ter dood veroordeelden werden door geüniformeerde mannen – ik denk dat het gendarmes waren – tussen de graven door naar een zijmuur van de Onze-Lieve-Vrouwekerk geleid. De jongens werden geblinddoekt, een officier schreeuwde bevelen en het executiepeloton zette zich op een rij en schouderde het geweer.’ Philemond herinnert zich dat het toen even ijzingwekkend stil werd. ‘Tot de officier het bevel tot schieten gaf: “Feu!” Dat hoor ik nog altijd: hoe ongelijkmatig de schoten klonken en hoe het even duurde voor de eerste soldaten de trekker overhaalden. Alsof ze een fractie twijfelden om deze brutale daad te plegen. ‘Maar geen van beiden was dood want ze bewogen nog…’
 

Germaine De Koninck (1909) uit Sint-Gillis, ging in ruil voor melk bij boerenkinderen fabels voordragen en liedjes zingen.
‘Ik kon fabels en verhalen vertellen’, glundert Germaine. ‘Twee keer in de week stapte ik in mijn eentje naar een hoeve aan de rand van de stad. De boer en zijn vrouw hadden een dochtertje en een zoontje. Elke keer had ik voor de kinderen een vertelling klaar, soms zong ik of droeg ik versjes voor. Met de centjes die moeder mij had toevertrouwd, had ik recht op 1 liter melk maar door mijn acteerprestaties kreeg ik er steevast een halve liter gratis bij!’ Germaines talent en ondernemingszin waren niet te stuiten. Op zondag was ze present op het kerkplein van Sint-Gillis. ‘Dan had ik ruimschoots de tijd om alle verordeningen te lezen die de gemeente op bevel van de Duitsers had aangeplakt. Veel boeren konden lezen noch schrijven en waren dan ook maar al te blij dat iemand hen wegwijs maakte in wat mocht en niet mocht. Ze droegen mij op handen en spraken vol lof over dat kleine wonder dat kon lezen. Op zondagmiddag kwam ik nooit met lege handen thuis.’
 

Yvonne De Vetter (1907-2011) speelde als oudste kind zowel de tweede moeder als de tweede vader in een kroostrijk Gents gezin.
De Duitse bezetter had Gent uitgekozen als hoofdplaats van het Etappengebiet. Vier jaar lang (over)leefden de Gentenaren in een open gevangenis, te midden van 12.000 Duitse militairen. Yvonne was de oudste van de acht kinderen. ‘Alles werd op de bon gezet’, zegt Yvonne. ‘En omdat ik het oudste kind was, klonk het gedurig van: “Yvonne, doe eens dit, haal eens dat, loop eens naar ginder, ga eens naar daar…” Ik was het die iedere keer urenlang in de rij moest staan om brood, een liter melk of een keteltje soep te bemachtigen. Vlees konden we zelden kopen want daar hadden mijn ouders het geld niet voor. Ik moest niet riskeren om met lege handen thuis te komen.’ Om de eindjes aan elkaar te knopen ging de kleine Yvonne ook deeltijds uit werken. ‘Naar de vlasfabriek, maar ja, ik was dan ook al (!) 9 of 10 jaar oud…’
 

Valère De Corte (1910-2011) uit Poperinge verbleef met twee broers en drie zussen in een weeshuis nabij Parijs.
Poperinge bleef de hele oorlog onbezet, maar omdat moeder De Corte plots was overleden zag Valères vader geen andere uitweg dan zijn jongste kinderen naar Frankrijk te sturen.
‘Ik kwam met mijn broers André en Lucien terecht in Monsoult, in een weeshuis nabij Parijs.’, vertelt Valère. ‘Drie zussen zaten in het weeshuis van Sèvres, niet ver daarvandaan. De nonnen van het weeshuis hanteerden strenge regels en er heerste een strikte dagorde. De kinderen De Corte hadden één dag in de maand waar ze met verlangen naar uitkeken. Hun vader zat goed in de centen en kwam hen om de drie weken bezoeken. ‘Dat heeft hij de hele oorlog volgehouden’, zegt Valère. ‘Vader bracht altijd eten mee en ’s avonds mochten we met hem mee naar een restaurantje. “Eet de buikjes maar goed vol”, zei hij dan. 
 

Jacques Meekers (1910-1911) uit Beringen herinnert zich nog goed hoe zijn vader in het krijgsgevangenenkamp de Duitsers om de tuin leidde.
De vader van Jacques Meekers diende als korporaal bij het 13de Linieregiment. De hoefsmid werd echter gevangen genomen en belandde in het Kriegsgefangenenlager van de Duitse stad Hamelen. ‘Vaders ervaring als hoefsmid kwam hem uitermate goed van pas. Hij stond een tijd aan de draaibank in een van de kampateliers en dat bespaarde hem de veel zwaardere arbeid buiten het kamp. Tot op een dag de draaibank voor de zoveelste keer niet functioneerde. De Duitsers hadden het zelfs niet door, zo vakkundig slaagde vader er telkenmale weer in om de machine te saboteren’, gniffelt Jacques. Vader ging sluw en koelbloedig te werk, de Hunnen zijn er nooit achter gekomen. 
 

Antonia Nouwens (1907) was Nederlandse maar leed ondanks de neutraliteit van haar moederland veel honger.
Antonia Nouwens groeide tijdens de Eerste Wereldoorlog op in het neutrale Nederland. In Westelbeers, een dorpje niet groter dan een langgerekte rij huisjes, dicht bij de Belgische grens. ‘Vaak hoor ik mensen zeggen dat de oorlog aan ons, Hollanders, is voorbijgegaan. Ik vind dat zo onheus. In de nabeschouwingen over de Eerste Wereldoorlog valt de rampspoed die we leden meestal tussen de plooien van de geschiedenis. Dat moet me toch even van het hart’, bekent Antonia. ‘We hebben honger geleden, zeer veel honger. We aten zelfs dingen die mensen anders nooit eten. Meer dan eens heb ik varkensvoer naar binnen gespeeld. Wat erin zat, heb ik nooit geweten en of het lekker proefde of slecht smaakte herinner ik mij niet meer, maar het stilde de honger.’
 

Dina vanden Heuvel (1909) woonde in het Baarlese gehucht Zondereigen, vlakbij ‘de dodendraad’.
In Zondereigen, aan de Belgisch-Nederlandse grens, was de dodendraad twee meter hoog en bestond uit vijf stroomdraden waarop 2000 volt hoogspanning werd gestoken.
‘Dat maakte het voor de gegadigden die alsnog de grens wilden oversteken des te moeilijker’, zegt Dina. ‘Ze lieten zich begeleiden door passeurs, de zogeheten grensgidsen die de regio kenden als hun broekzak. Vaak verschuilden ze zich bij ons in een schuur, in het gezelschap van de mensen die ze over de grens loodsten. Tussen de spleten van de dakpannen op de hooizolder bespiedden de passeurs nauwgezet de Duitse grenspatrouilles. Vader bracht ze eten. Hij stopte dat in een emmer, legde er wat dierenvoer op en wandelde schijnbaar onverschillig naar de schuur. Net alsof hij de beesten ging verzorgen. Want hij bleef altijd op zijn hoede voor de Duitse soldaten, ook al stonden we op goede voet.’
 

Jules Colpaert (1910) was in Machelen-aan-de-Leie getuige van de gevechten tijdens het eindoffensief.
‘Tegen het einde van de oorlog zaten wij te midden van gevechten tussen vluchtende Duitsers en Franse soldaten.’ Jules Colpaert weet het nog goed. Het mocht een wonder heten dat de hoeve van de Colpaerts, enkele oppervlakkige beschadigingen niet te na gesproken, tijdens de strijd aan de Leie gespaard bleef. Om zichzelf tegen de dodelijke kogels en granaten te beschermen zocht de familie zijn heil in een wel zeer bijzondere schuilkelder. ‘Aan de overzijde van de straat had nonkel Staf, een broer van moeder, zijn boerderij. Nonkel had de aalput onder het zwijnenkot proper uitgekuist en op de roosters had hij klodden vlas gelegd. We hebben ons daar vaak verscholen, er was plaats voor twintig mensen. Op een keer toen we in de aalput zaten is een Franse granaat dwars door de staldeur gevlogen. Boven onze hoofden had het projectiel zich vast geboord in de klodden van het vlas en was niet ontploft. 
 

Madeleine De Meulemeester (1915) uit Vichte verloor na de oorlog haar rechterwijsvinger toen een blindganger ontplofte.
De catastrofe gebeurde op 7 april 1919. ‘Ik zat met Martha, mijn jongere zus, gehurkt bij het ovenhok’, herinnert Madeleine zich. ‘We keken met spanning hoe onze broer Maurice de geleideband van een obus probeerde te kloppen. Zo een koperen band stond immers prachtig aan een meisjespols en Maurice had er ons elk een beloofd. Het ging allemaal zo rap, ik herinner me zelf niet de luide knal te hebben gehoord. Ik voelde eerst geen pijn en zag hoe Maurice hevig bloedend en schreeuwend rechtop krabbelde. Martha begon ook te wenen en we strompelden alle drie naar het woonhuis. Ik zag plots hoe het bloed uit mijn rechterklomp tot tegen mijn knieën spatte, en pas in huis had ik door dat ook mijn rechterwijsvinger weg was. Die hebben ze later meters verder bij de deur van de schuur teruggevonden. Met mijn broer was het echter veel slechter gesteld…’
 

lees ook