Medische hulpverlening aan het front

Het Duitse leger rukt zeer snel op en het Belgische leger trekt zich na de val van Antwerpen op 10 oktober terug achter de Ijzer. Na tien weken van zware gevechten blijft er slechts een oververmoeid, gedeprimeerd en in lompen gehuld leger met duizenden gewonden over. Door de snelle Duitse opmars zijn grote voorraden medicijnen en medisch materiaal verloren gegaan en is er veel te weinig personeel om al de zieke, gewonde en zwaar verminkte soldaten, de “gueules cassées” te verzorgen.

Achter het front zijn er alleen in de buurt van Calais en Duinkerke basishospitalen. Dat is op twee zelfs drie dagreizen per trein van het front. De hospitaaltreinen staan in elk station urenlang stil omdat ze voorrang moesten geven aan troepentransporten en munitietreinen. Zwaargewonden hebben op zo een trein geen schijn van kans op overleving. En in alle hulpposten aan en rond het front komt men handen en medisch materiaal te kort om de meest elementaire zorgen toe te dienen. In het België achter de Ijzer moest men tijdens en na de Ijzerslag van eind oktober nog letterlijk bijna alles uit de grond stampen. Het is één grote chaos !
 

Wat stelde de verzorging van de soldaten toen voor?

Gewonden uit de puinhopen halen en urenlang door de modder ploeteren om ze in een hulppost te krijgen voor eerste verzorging.

Tegen brancardiers zeggen dat ze de gewonden buiten in de modder moeten leggen wegens gebrek aan plaats.

Amputeren zonder verdoving en opereren in te kleine ruimtes zonder verlichting.

Oplappen van soldaten met vreselijke hoofdwonden, half afgerukte ledematen en kogelwonden.
 

Beetje bij beetje bouwen het leger, het Rode Kruis en de internationale gemeenschap een medische infrastructuur uit. Het kleine Sint-Janshospitaal in Veurne krijgt versterking van de Britten. De Britse medische dienst stuurt bijvoorbeeld automobiel-ambulances die gewonden naar het Belgian Field Hospital in Veurne vervoeren.
Met de onderwaterzetting van de Ijzervlakte komt er een eind aan de bewegingsoorlog en wordt het front ‘verdeeld’ over 3 hospitalen: Cabour in Adinkerke, Belgian Field in Hoogstade en L’Océan in De Panne.
 

Het meest in het oog springende en controversiële idee komt van de bekende Brusselse chirurg Antoine Depage. Om zoveel mogelijk soldatenlevens te redden pleit hij voor ziekenhuizen vlakbij het front. Op vraag van koning Albert komt hij naar De Panne maar weigert om hoofd te worden van de Gezondheidsdienst van het leger.

Wel vraagt hij het volgende:

Laat me een hospitaal maken waar ik aan goede chirurgie kan doen. Laat me dat doen in naam van het Rode Kruis en zonder me te onderwerpen aan de belastende en steriliserende eisen van de militaire bureaucratie. Als ik luk, zal de Gezondheidsdienst me volgen. Mijn voorbeeld zal overtuigender zijn dan mijn bevelen ooit zouden zijn”.

Met de steun van koningin Elisabeth wordt in hotel ‘L’Ocean ‘ in De Panne een reusachtig hospitaalcomplex ingericht. Op nauwelijks 15 kilometer van de frontlinies ! Dat is revolutionair en valt in het begin niet in goede aarde bij de militaire leiding. Maar de twijfels verdwijnen al snel en na de definitieve stabilisatie van het front gaat het Belgische leger zelf militaire fronthospitalen oprichten op minder dan 15 kilometer van de voorste linies.

Op weg naar de fronthospitalen sterven nog veel te veel soldaten aan verwondingen in de buikstreek, infecties en bloeduitstortingen. In juni 1916 vraagt dokter generaal Derache, hoofd van het militair hospitaal Cabour, aan de Minister van Oorlog om een aantal chirurgische voorposten in te richten op 2 tot 5km van het front. Op korte tijd komen er 3 dergelijke posten: St-Jansmolen (Lampernisse), Grognie (Oudekapelle) en 't Abelenhof (Reninge).
 

Dankzij de schenking van een mobiel hospitaal door dokter Antoine Depage van L’Océan gaat St-Jansmolen als eerste post open op 1 juli 1916. De chirurgische voorpost bestaat uit 5 vrachtwagens, onderling verbonden door een grote tent, elektrisch verwarmd en met een complete, medische uitrusting (radiologie, apotheek, operatiezaal, magazijn, keuken). Er is één groot nadeel: de post staat open en bloot voor het oog van de vijand. Op zowat 2,5km van de Dodengang met als enige bescherming het grote Rode Kruisteken op het dak van de tent.

Dokter Neuman, de hoofdarts van de St-Jansmolen omschrijft het als volgt:

Si le poste d’Abeelenhof est fortement protégé par du béton et des murs en sacs en terre, Sint Jan’s Molen réalise le type du P.C.A; établi en pleine vue de l’ennemi, sans une autre protection que la Croix de Genève qui interdit de tirer sur les formations sanitaires, interdiction purement théorique d’ailleurs !

Meer info 
 

lees ook