"De onversneden propaganda smaakt al te zuur"

Een dodelijke granaataanval in de stad Homs maakte een onverwacht einde aan een officieel persbezoek aan Syrië. Radiojournalist Jens Franssen, die deel uitmaakte van de groep westerse journalisten, kwam gisterenochtend vervroegd terug thuis. Fysiek ongehavend, maar vechtend tegen het cynisme en met heel wat onbeantwoorde vragen.

ZATERDAG 7 JANUARI - GENT

"Thx voor je bezorgde scherpe reactie", sms ik mijn goeie vriendin B.H. Eén van de best ingelichte Midden-Oostenexperts in het land. Gisterenavond vlogen we elkaar, aan een restauranttafel in Gent, in de haren over mijn trip naar Syrië. "Je laat je gebruiken. Je bent niet voldoende voorbereid. Je weet niet waaraan je begint als je meegaat op een georganiseerde persreis. Je gaat je laten rollen." Ik baal, want ik hecht veel waarde aan B.’s oordeel. Een dag later vlieg ik toch op naar Damascus.

WOENSDAG 11 JANUARI - HOMS

Ik proef de inslag van de vierde granaat. "Fuck!" Véél te dichtbij! Glas breekt, splinters vliegen in het rond. Stof. Chaos. Dit is helemaal niet goed. Geschreeuw. Ik zit in een veel te nauwe traphal van een appartementsgebouw en moet hier weg. Wat ik nu nog niet weet, is dat op datzelfde moment Gilles Jacquier, journalist bij France2, een paar meter verder is omgekomen. Hij ligt een paar treden lager op zijn rug op de grond van de traphal. Hij was op slag dood. Het enige wat ik nu nog hoor is het hysterische gehuil en geschreeuw. Pas later zal ik op tv-beelden zien dat het van Caroline is, zijn vriendin, die alles heeft zien gebeuren. Een nieuwe granaatinslag. De vijfde al. Ik moet hier weg.

MAANDAG 9 JANUARI - DAMASCUS

Jihad Makdissi, de woordvoerder van de Syrische minister van Buitenlandse Zaken spreekt vloeiend Engels, met een licht Cockneyaccent. Hij zit strak in het pak en is innemend zoals alleen carrièrediplomaten dat kunnen zijn. Grapjes links, intelligente small talk rechts. Ieders vriend. Al geldt dat vanzelfsprekend niet omgekeerd.

Ik zet me dicht naast Makdissi in de helwit verlichte koele ontvangstzaal. We krijgen een half uur, maar nemen het dubbele. Beleefd stel ik stoute vragen. Makdissi wikt en pauzeert bedachtzaam en laveert handig langs de hete hangijzers. Nu eens met cijfers, dan weer met retoriek of gespeelde verbazing, ontwijkt hij alle fuiken.

Hij geniet zichtbaar van het spel. Vragen en antwoorden gaan steeds sneller. Hij heeft het over democratische benchmarks van de Arabische Liga, over uitgestoken handen, wapensmokkel en een verdeelde oppositie. Hij is zichtbaar teleurgesteld dat het politieke middenveld niet groeit als kool, nu het officieel mag sinds begin dit jaar. Wat mag, móet blijkbaar ook in Syrië. Hij struikelt één keer wanneer ik hem vraag of zijn volk misschien niet gewoon wat bang is? Makdissi: "Dat is hun probleem. Iedereen is welkom nu."

Ik moet afhaken. Op een subtiele, haast ongrijpbare manier voelen we dat het spel over is. Makdissi is het gladde en radde gezicht van het regime. Zonder bloed aan de handen te hebben (wel een peperduur Philip Patek-horloge). De natte droom van elk staalhard regime.

Vers gestreken vlaggen

Drie busjes scholieren staan ons heftig scanderend op te wachten aan de kerk in centraal Damascus. Niemand heeft er aan gedacht om de busjes wat verderop te parkeren, uit het zicht. Maar dat deert eigenlijk niet. Ze zwaaien met vers gestreken vlaggen, scanderen slogans en houden identieke foto’s van president Assad omhoog. Net echt, denk ik.

De Syrische televisie liet een regiewagen uitrukken en een camera is gemonteerd op een vervaarlijk zwaaiende kraan. Op het opgestelde televisiescherm ernaast geeft dat van die fraaie vloeiende beelden, zoals in televisieshows op vrijdagavond. De drie busjes scholieren lijken er zo wel dertig op het scherm. We zijn gelukkig net op tijd om de zwarte limo’s met waarnemers van de Arabische Liga te zien aanrukken. De decibels gaan nu gevaarlijk snel de hoogte in. Drie waarnemers, met oranje hesjes, stappen uit en worden samen met ons binnen geleid.

Binnen wacht ons een oecumenische viering. Mijn gids laat niet na dat keer op keer te herhalen. Misschien vreest ze dat ik aan acute amnesie lijd. De herdenkingsmis voor een omgekomen negenjarige blonde jongen uit Homs begint. De snikkende moeder zit op de eerste rij, samen met vertegenwoordigers van de verschillende godsdiensten. Er zijn extra lampen aangerukt om alles netjes uit te lichten.

Ik probeer bij de zich spontaan aanbiedende gelovigen te achterhalen waarom deze herdenking hier en nu wordt gehouden. Waar is de vader van het kind? "Gescheiden, dus is hij er niet." Vreemd allemaal. De Grootmoefti houdt een donderpreek nu. Religie en staat hoeven hier niet zo gescheiden, blijkt al snel. Regering, God en Allah zijn één. Het land valt ten prooi aan terroristen, gaat hij verder. De gelovigen zijn enthousiast.

Bontmantels

De gelovigen zijn opvallend goed gekleed ook. Ik tel een paar bontmantels en ook warme, geklede wollen jassen. Een paar sluiers ook, in combinatie met goud. Hier zit de elite van het volk. De waarnemers van de Arabische Liga liggen internationaal onder vuur. Tandeloos? Moeten zij hier ook zijn? Ik knijp hard in de arm van de oudste van de drie. Zijn ogen zeggen dat hij graag zou willen praten, maar zijn mond zegt iets anders. Deemoed.

Na de mis worden de drie in de zwarte gepantserde Mercedes geduwd. Buiten spuwen boxen Arabische beats. Een man duwt bij het instappen hun hoofden diep genoeg zodat ze zich niet zouden stoten. Zoals hulpvaardige politieagenten soms ook bij gevangenen doen. Het wiegen en dansen gaat nog een paar minuten door. Dan heeft de dj er genoeg van, de demper wordt dicht geschoven. Zonder waarnemers is de lol er af. Vlaggen worden ingezameld en Lexussen wachten verderop op het bont.

Op de negende verdieping van het Dedeman-hotel krijgen we in groep toespraken van vertegenwoordigers van het Syrische volk opgelepeld - een paar deelnemers zijn direct mee van de kerkdienst gekomen. Aan snel tempo passeren YouTube-filmpjes, dia’s, en vergelijkingen die moeten aantonen dat de ene keer tv-zender Al-Jazeera liegt, en dat de andere keer Al-Arabya vooringenomen is. Soms leven de dode gekidnapten nog, of zijn de doden niet vermoord door het regime maar net door het opstandelingenkamp.

Kwade preek

Bij weer een tragisch verhaal over een omgekomen kind begint onze gids te huilen. Ik vloek binnensmonds als ik zie dat de Syrische tv in "one take" het beeld van de jongen, de zuster en mijn klankman met VRT-microfoon filmt, en laat die weghalen. Over Syrië woedt - ook bij ons - een mediaoorlog: vrijheidsstrijders versus terroristen. Maar de onversneden propaganda die hier wordt opgediend, zeker wanneer ze zonder koffie komt, smaakt al te zuur.

Ik sta uiteindelijk op, en ga naar beneden in het pluche van de lobby roken. Druppelsgewijs volgen andere collega’s. (Later zal ik louter door toeval een kwade preek van onze gids missen dat we ondankbare journalisten zijn, die zelfs niet luisteren naar de aangeboden "nuttige informatie").

DINSDAGAVOND 10 JANUARI - DAMASCUS

We hebben lang gediscussieerd. Joseph van AFP en ik willen eerst naar Homs in het noorden. Gilles van France2 wil naar het zuiden, naar Derra. We hakken de knoop door. Het is nog even nacht en koud, maar morgen rijden we naar Homs. Onze gids is het moe. De toelating van het Syrische ministerie moet op naam komen van Joseph, die het land ook als zijn broekzak kent. Onze gids kan verrassend genoeg niet (meer) mee.

WOENSDAG 11 JANUARI - DAMASCUS

Vijf collega’s, waarbij een Russische onderzoeker met langlopende contacten in Syrië en een jonge omstreden Britse "journaliste", blijken niet op het appel te zijn. We zullen hen, vreemd genoeg, niet meer ontmoeten.

Homs is een verdeelde stad en heeft enerzijds spookwijken vol verlaten straten, en anderzijds wijken die onder die controle zijn van de Shaheda, de beruchte overheidsmilities, en waar je wel nog vrouwen en kinderen op straat ziet. Wij zullen altijd in die door het regime gecontroleerde delen blijven.

Wij, dat zijn drie busjes met 15 journalisten, waaronder 2 cameraploegen, geëscorteerd door meer dan 10 lokale veiligheidsmensen. Eenmaal op pad nemen inwoners ons op sleeptouw. Wanneer we aan een plein terug willen vertrekken, duiken plots jongeren op met pro-regime spandoeken. Ze blokkeren de weg en dus stappen de cameraploegen en fotografen uit om hun ding te doen. Tot - en uit het niets - een granaat inslaat.

Ik zie een grijze rookpluim op een paar honderd meter voor ons. De nieuwsjachthond in ieder van ons doet ons lopen naar de nieuwsprooi. Wat jongeren rennen mee, ons aanvurend nu maar eens zelf te gaan kijken naar wat de opstandelingen aanrichten. Wat had ik graag toen al opgemerkt dat onze veiligheidsescorte van het regime geen meter verroerde en ter plekke bleef staan. Wij liepen weg, zij niet.

Dierlijk

Adrenaline raast nu door ieders bloed. Ik schreeuw naar mijn klankman dat hij naast me moet blijven. Lopen, lopen. Op naar het appartementsgebouw waar de rookpluim is. Ik volg onze cameraploeg op de voet. Helemaal naar het dak. Een tweede scherpe dreun nu aan de overkant. De jongeren rondom ons zijn hysterisch. Of we de tweede granaatinslag gezien hebben?

Heel snel nu een derde dreun. Dichtbij. Te dichtbij. Te snel op elkaar ook die inslagen. Ik voel instinctief aan dat ik ongedekt sta. Te hoog. Geen goeie plek. Ik begin terug naar beneden te rennen in de nauwe traphal. Een nieuwe inslag. Zo dichtbij dat ik hem proef. De tijd verdicht. Chaos trekt door mijn bloed. Nuchter blijven nu. Ademen. Ademen en af en toe iets inspreken in de microfoon. Seconden lijken minuten. Gehuil. Geschreeuw. Dierlijk haast nu.

Niet goed verdomme. Ik zit niet goed in de hal. Door het raam kan zo een granaat inslaan. Waar is Kris? Wanneer zag ik hem eigenlijk voor het laatst? En Rudi? Rustig ademen. Waar is de rest van de VRT-ploeg? Ik duik een openstaand appartement in. Donker. Veel schimmen, stemmen. Daar is Kris en de rest. De Nederlandse collega zit op zijn knieën. Hij hapt naar adem en houdt een lap tegen zijn oog. In zijn andere oog lees ik blind ongeloof over wat er rondom ons aan het gebeuren is.

Of ik oké ben, vraagt Kris opnieuw. Mijn jeans zit onder het bloed. Ik voel niets, maar check toch. Pijn of shock kan zo verdoven dat je een gapende wonde minutenlang niet kan voelen. Ik ben oké. We moeten hier nu vooral weg. Terug de traphal in dus, en via de laatste paar treden naar het gelijkvloers. Splinters glas overal. Op de vloer zit helrood bloed. Beneden onder de trap ligt Gilles. Dood. Ik herken hem nauwelijks. Ernaast zit zijn vriendin. Ik zie haar open mond en wijd opengesperde ogen en leg nu pas de link dat zij het is die zo schreeuwt.

De collega’s van France2 proberen haar weg te slepen. Naar buiten. We moeten weg van hier. Er liggen nog lichamen op straat. Auto’s scheuren voorbij. Er klinken schoten nu verderop. Een auto stopt en een deur zwaait open. Ik roep de rest van onze ploeg. Niemand hoort me. Ik vloek. Tunnelvisie. Een klassieke reactie volgens het handboekje. Ik blijf roepen. Een nieuwe auto. Kris en de jongens van de tv-ploeg springen er in, gelukkig. Ik probeer erbij te kruipen, maar het lukt gewoonweg niet. Rudi en ik blijven over als laatste, samen met een gewonde Libanese collega. Twee auto’s nu. We duiken er allemaal samen in. In de andere gaat het lichaam van Gilles. Vandaag is geen goeie dag. Verdomme geen goeie dag.

DONDERDAGOCHTEND 12 JANUARI - DAMASCUS

Er blijven, ook na gesprekken met de andere collega’s, en na het herbekijken van de ruwe tv-beelden en van onze geluidsopnames, heel wat vragen. Was het toeval dat de granaataanval begon exact de dag en het uur dat een groep buitenlandse journalisten aan het werk was in Homs? Waarom juist besliste onze, aan het regime gelieerde gids, op het laatste moment om niet mee te gaan? En waarom bleven net onze Russische, Poolse collega’s en omstreden Britse collega in Damascus?

Cynisme

Waar vandaan en waarom kwamen de jongeren plots demonstreren voor onze busjes, luttele minuten voor de eerste inslag? Waarom bleef onze veiligheidsescorte passief vanaf het begin? Waarom schoten ze ons niet te hulp met de busjes die een paar honderd meter verderop stonden? Is het toeval dat het hotel waar we later die avond hergroepeerden, voor het eerst sinds tien maanden beschoten werd? Voor het regime was dit tragische incident het "bewijs" dat er in Homs terroristische groepen aan het werk zijn die niets en niemand sparen. Voor wie aan die versie zou twijfelen, waren er ook nog twee Syrische tv-ploegen aanwezig die alles op beeld zetten.

Geen van die beelden, van onze beelden, zullen uitsluitsel geven. Ik moet, denk ik, geloven dat we geen deel uitmaakten van een al te vuile en ruwe (media)oorlog, waarin we plots zelf tegelijkertijd speler en toeschouwer waren. Met zoveel cynisme kan je anders als journalist moeilijk objectief blijven voortwerken. En onafhankelijke vrije journalistiek is net wat alle Syriërs nu meer dan ooit nodig hebben. Daar zou collega Gilles Jacquier het volledig mee eens zijn.

Jens Franssen