Hoe zag het Libische revolutiejaar er weer uit?

Libië herdenkt deze week zijn revolutie. Een jaar geleden begon de opstand die een burgeroorlog werd en uiteindelijk leidde tot de val van Moe'ammar al-Khaddafi. Maar ook zonder de kolonel blijven de uitdagingen groot. Een chronologie van een zeer bewogen jaar.

Het protest in Libië begint op 15 februari in Benghazi, de oostelijke stad die het bolwerk van de rebellen zal worden. Honderden mensen komen op straat na de aanhouding van een mensenrechtenactivist en advocaat, Fathi Terbil. Khaddafi wil de onrust snel de kop indrukken en reageert met harde repressie.

In navolging van Egypte, waar president Hosni Moebarak enkele dagen eerder de macht heeft moeten overdragen aan het leger na aanhoudende protesten, wordt 17 februari in de oostelijke stad Benghazi uitgeroepen tot "Dag van de Woede". Bij botsingen tussen betogers en agenten vallen zeker 14 doden.

De dagen daarop groeit de menigte demonstranten alleen maar aan, ondanks het geweld van het regime, dat sluipschutters laat vuren op betogers. Het protest breidt zich ook uit naar andere steden in het land. Vanuit Tripoli worden dan weer beelden getoond van Khaddafi-aanhangers die luidkeels steun betuigen aan hun leider. Tegen 20 februari is het duidelijk dat Benghazi niet meer onder controle is van de regering.

Steeds meer steden vallen in handen van de opstandelingen. Verschillende topmensen van het regime zien meer heil in de nieuwe beweging en laten Khaddafi in de steek. Onder meer de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken worden leiders van de rebellen. Khaddafi zegt in een toespraak op 22 februari dat hij zal vechten tot zijn laatste druppel bloed. De kolonel laat er geen twijfel over bestaan dat hij niet zomaar zal wijken.

Een strijd van wisselende kansen

Diezelfde dag schorst de Arabische Liga, de organisatie van Arabische landen, Libië en veroordeelt de VN-veiligheidsraad het geweld. Op 27 februari worden 3 Nederlandse militairen die in een helikopter naar de stad Sirte gevlogen waren om mensen te evacueren, aangehouden door troepen van Khaddafi. Ze worden een tiental dagen later weer vrijgelaten dankzij diplomatiek overleg.

Doordat er steeds meer berichten de wereld ingestuurd worden over folteringen door regeringstroepen opent het Internationaal Strafhof in Den Haag op 8 maart een onderzoek naar oorlogsmisdaden. De kansen van Khaddafi lijken intussen weer te keren. Zijn zwaarbewapende soldaten maken snel terrein goed en staan op 17 maart aan de poorten van de rebellenhoofdstad Benghazi. De Libische leider zegt dat er "geen genade" zal zijn voor de opstandelingen, het signaal voor de internationale gemeenschap -en dan vooral Frankrijk en Groot-Brittannië- om in te grijpen.

Vervolgens gaat het snel. Op 19 maart openen Franse gevechtshelikopters de aanval op de regeringstroepen. Ook de Belgen nemen deel aan operatie "Odyssey Dawn" met 6 F-16's en één mijnenjager. Een inname van Benghazi, wat het einde van de opstand zou betekend hebben, wordt verijdeld. Maar de internationale inmenging leidt niet tot een snelle doorbraak. Op 31 maart neemt de NAVO het commando van de operatie over.

Traag maar zeker naar Tripoli

Op 13 april erkent de internationale contactgroep voor Libië, die samenkomt om de toekomst van het land te bespreken, de Libische Overgangsraad, ofte de "regering" van de rebellen. Aan het front gaan de gevechten voort, maar geen van beide partijen boekt echt vooruitgang. Het lijkt erop dat de gevechten in een patstelling beland zijn.

Een van de steden waar hevig om gevochten wordt, is Misurata, in het westen van het land. Na een maandenlang beleg van regeringstroepen, slagen de opstandelingen er uiteindelijk in om de controle over de stad te behouden. Tegen 15 mei zijn de gevechten voorbij. Zeker 1.000 mensen hebben daarbij het leven gelaten.

Op 27 juni vaardigt het Internationaal Strafhof een aanhoudingsbevel uit tegen Khaddafi en zijn zoon Saif al-Islam voor misdaden tegen de mensheid. De rebellen zetten intussen de strijd voort en blijven daarbij ondersteuning krijgen van NAVO-luchtbombardementen. Belangrijke punten, zoals de oliestad Brega, veranderen om de haverklap van bezetter.

Op 28 juli beginnen de opstandelingen, die het oosten al in handen hebben, aan een groot offensief in de bergen ten westen van Tripoli. Langzaamaan wordt de hoofstad omsingeld. Op 19 augustus veroveren ze de strategisch belangrijke steden Zlitan en Zawiyah. Enkele dagen later valt de hoofdstad Tripoli en Khaddafi's bolwerk Bab al-Azizia zonder veel strijd in handen van de rebellen.

Een triest einde voor de dictator

Op 11 september komt Mahmoud Jibril, de premier van de Nationale Overgangsraad, aan in Tripoli. De raad opereert voortaan vanuit de hoofdstad in plaats van vanuit Benghazi. De olieproductie, de belangrijkste bron van inkomsten voor Libië, wordt hervat.

Rond Khaddafi's geboortestad Sirte lijken de rebellen opnieuw vast te lopen, maar op 20 oktober wordt de stad ingenomen en wordt een gewonde Khaddafi opgepakt. Minder dan een uur later wordt hij doodgeschoten. De videobeelden van een dode Khaddafi gaan de wereld rond.

Zijn lichaam wordt vervolgens naar Misurata gebracht en daar opgebaard. De juiste omstandigheden van de dood van de Libische leider blijven voorlopig onopgehelderd. Op 23 oktober verklaart Mustafa Abdul Jalil, de voorzitter van de Overgangsraad, de oorlog officieel voorbij.

Saif al-islam, een van de zonen van Khaddafi en zijn gedoodverfde opvolger, wordt op 19 november gearresteerd in het zuiden van Libië. Het Internationaal Strafhof in Den Haag vraagt om zijn uitlevering, maar de Libische autoriteiten weigeren. Hij zit momenteel in de cel in de stad Zintan, in afwachting van zijn proces.

Begin januari is het opnieuw onrustig in Benghazi, de stad waar de opstand begon. Betogers komen op straat om snelle en transparante hervormingen te eisen. Het gebouw van de Nationale Overgangsraad wordt geplunderd. Een jaar na het begin van de revolutie zijn de uitdagingen voor de Libiërs dus nog erg groot. In juni zijn er verkiezingen gepland.

Joris Truyts