Marten Toonder, peetvader van de Nederlandse strip

Mocht hij het eeuwige leven gehad hebben, dan was striptekenaar Marten Toonder op 2 mei aan zijn eerste 100 jaar toe geweest. Het hele voorjaar al is de tekenaar (overleden in 2005) geloofd en geprezen, niet het minst ter gelegenheid van de fraaie tentoonstelling die in het Belgische Stripmuseum aan hem is gewijd. In Nederland maakt Marten Toonder net als bijvoorbeeld Bomans en Carmiggelt deel uit van het cultureel erfgoed, in Vlaanderen is hij nooit erg populair geweest. Wij Vlamingen hebben nooit “highbrow”-strips gelust.

Lang geleden, toen de dieren nog spraken, werd bij ons thuis de ter ziele gegane krant Het Volk gelezen. Ik zal niet zeggen dat er in gezinsverband om gevochten werd, maar de strip van Nero (die toen nog dagelijks in Het Volk verscheen) was wis en zeker het eerste wat gelezen werd. Om een of andere reden publiceerde de krant ook een strip over een beer en een poes, maar die lazen wij niet, want er stond te veel tekst bij te weinig plaatjes, wat wij saai vonden. Bovendien stond de tekst niet in ballonnen maar in een blok onderaan de tekeningen. Hoe onvlaams.

Halfweg de jaren tachtig was kortstondige televisieroem mijn deel. Ik vormde samen met mijn vriend Patrick Van Gompel (toen Radio2, nu VTM) de jury van De Stripquiz, die toen in prime time werd uitgezonden op het eerste net. Het was een slecht programma , laat ik dat ruiterlijk toegeven, maar ik heb eruit geleerd hoe televisie werkt.

Er werden in die quiz weinig vragen gesteld over Tom Poes en Heer Bommel van de Nederlander Marten Toonder en de kandidaten kenden meestal het antwoord niet, terwijl ze over de Vlaamse klassiekers als Nero, Suske en Wiske en Jommeke, maar ook over Donald Duck, Franka en Agent 327 meer wisten te vertellen dan er van hen verwacht werd. ‘Tom Poes, dat is toch geen strip!’ verweet een kandidaat ons in de foyer van het Amerikaans Theater.

Ik was in die tijd goed bevriend met Paddy van der Baan, correspondent voor het radionieuws in Nederland en tevens verzamelaar van oude legervoertuigen. Op een keer toen ik bij hem in Veenendaal op bezoek was, schonk hij mij zijn verzameling Bommelverhalen. Jarenlang had hij de strip uit de krant geknipt en in een boek geplakt. Een unieke collectie, zij het niet in albumvorm. Overigens: albums van Heer Bommel en Tom Poes werden er in Vlaanderen amper verkocht, tenzij in de grensstreek. Ik heb het geschenk van Paddy (spreek uit Péddie) meer dan 20 jaar bewaard, bij mijn laatste verhuizing zijn het dozijn kaften met knipsels verloren gegaan.

Drie anekdotes om duidelijk te maken dat de strip van Marten Toonder nooit een begrip is geweest in Vlaanderen, terwijl de tekenaar in Nederland een heus icoon was en zijn strip – zoals het hoort – door jong en oud verslonden werd. En uitgeknipt en bewaard.

De peetvader van de strip

Marten Toonder kan zonder twijfel de peetvader van de Nederlandse strip worden genoemd. Zijn eerste Bommelverhaal (De officiële naam was Tom Poes maar de jonge kater was in wezen niet meer dan de belangrijkste nevenfiguur) verscheen al in 1941 in de krant De Telegraaf, meteen al in de vorm die tot in 1985 karakteristiek zou blijven voor de “stripromans”: drie tekeningen – heel gebald, heel statisch – en een brok tekst eronder. De tekst was belangrijker dan de tekeningen, dat was zo en dat is zo gebleven (overigens was die “toverformule” niet de vondst van Marten Toonder , ze werd opgelegd door de toenmalige hoofdredacteur van De Telegraaf). De verhalen waren eenvoudig, wat geen synoniem was voor “simpel”. Ze waren onderhoudend en grappig en spitsvondig. Maar uiteindelijk dienden ze als vehikel voor de filosofie, de levenshouding van de hoofdpersoon: Ollie B. Bommel, heer van stand. Bommel wás Toonder en omgekeerd. De tekenaar/verteller hield zichzelf én Nederland een spiegel voor, signaleerde trends en ontwikkelingen – ten goede en ten kwade – lang voor ze gemeengoed werden; hij voorspelde nationalistische oorlogen, ecologische rampen, machtshonger, grootheidswaanzin bij bankiers en ondernemers toen Nederland nog het beloofde land was in een boze wereld en het erop leek dat het nooit zou veranderen. Hij Marten Toonder hanteerde daarbij niet de voorhamer, hij was niet belerend, geen onheilsprofeet. Hij verweefde zijn bezorgdheid, zijn waarschuwingen, zijn kritiek fijntjes in zijn teksten. Op zijn Brits. Het idee om dieren met een menselijk karakter als personages op te voeren, was lang niet nieuw, maar het werkte. Eigenlijk was Marten Toonder een schrijver en geen tekenaar. De figuurtjes die hij tekende veranderden in de ruim veertig jaar van hun bestaan nauwelijks van vorm. Niemand die daarover mopperde.

Er is al veel gezegd en geschreven over de invloed van Marten Toonder op de Nederlandse taal. En terecht: “een eenvoudige doch voedzame maaltijd” werd een staande uitdrukking, een neologisme als “minkukel” werd gemeenzame taal. Idem voor “kommer en kwel” of “zielknijper”. Marten Toonder mocht graag in de dikke Van Dale bladeren om vergeten woorden op te duikelen, ook.

Toonder-Hergé

De carriere van Toonder loopt merkwaardig parallel met die van “onze” Hergé. Allebei debuteerden ze tijdens de tweede wereldoorlog in een collaborerende krant, allebei hielden ze er halverwege de jaren tachtig mee op, allebei hadden ze een “studio”, waarin medewerkers een aantal basistaken verrichten of de meer lucratieve, commerciële opdrachten afwerkten. Maar Hergé kreeg lang na de oorlog het stempel van op zijn minst sympathisant van de nieuwe orde, terwijl in de studio van Toonder een verzetskrant werd gedrukt. De aandelen van de Toonder Group of Companies werden zelfs op de Nederlandse beurs verhandeld, zover heeft Hergé het nooit geschopt. Bij hem was de studio een plaats waar hij zich met zijn vrienden-tekenaars kon uitleven. De studio van Toonder was een strak geleide commerciële onderneming.

Honderdzevenenzeventig albums zijn er van heer Bommel en Tom Poes verschenen. In een lofzang die hij in De Standaard publiceerde, citeert oud-journalist en schrijver Geert Vanistendael een handvol titels van albums die hem het liefst zijn (en waarbij ik me volmondig aansluit). Ook bij hem thuis werd de krant Het Volk gelezen. Maar Vanistendael bracht (een deel van) zijn jeugd door in het Nederlandse Utrecht. Wat veel verklaart, maar niet alles.

Louis van Dievel