Meer dan 100 doden bij geweld in Oost-Congo

In de Oost-Congolese provincie Noord-Kivu zijn minstens 100 burgerdoden gevallen na aanvallen door Congolese Mai-Mai-rebellen en Rwandese Hutu-milities. Die maken de regio al jarenlang onveilig. De slachtoffers zijn bijna uitsluitend burgers.

Volgens Radio Okapi, de radiozender en nieuwswebsite van de Verenigde Naties in Congo, hebben de gewapende bendes geen enkel burgerslachtoffer gespaard bij hun doortocht in enkele dorpen in de regio van Masisi. De lokale autoriteiten vragen dat het Congolese regeringsleger orde op zaken stelt en de veiligheid herstelt.

Het conflict gaat deze keer tussen de Hutu-militie FDLR, die bestaat uit militieleden die uit Rwanda zijn gevlucht na de machtsovername daar door Paul Kagame, en Mai-Mai-rebellen, die de aanwezigheid van het FDLR in Noord-Kivu niet tolereren.

Volgens de Verenigde Naties blijven er nog altijd 3.000 à 4.400 FDLR-rebellen actief in Oost-Congo, ondanks eerdere pogingen door het Congolese en Rwandese leger om hen uit te schakelen.

De veiligheidstoestand in het oosten van Congo is al sinds 1994 dramatisch slecht. Na de machtsovername door de toenmalige Tutsi-rebellen van Paul Kagame in Rwanda vluchtten Hutu-militieleden massaal de grens over. Sindsdien houden ze zich op in het Congolese regenwoud en maken ze de streek onveilig.

Anderzijds is het Congolese regeringsleger niet in staat gebleken om de veiligheid in Oost-Congo te garanderen. Het wordt de Congolese autoriteiten bovendien niet altijd even gemakkelijk gemaakt door buurlanden Rwanda en Oeganda, die zich vaak mengen in Oost-Congo om er hun eigen belangen te verdedigen.

Inzet van het conflict zijn vaak de bodemrijkdommen, die de verschillende strijdende partijen maar al te graag gebruiken om er hun wapentuig mee te financieren. De burgerbevolking is de dupe van de hele toestand: het oorlogsgeweld heeft al meer dan 5,4 miljoen mensenlevens geëist en dagelijks worden naar schatting honderden vrouwen verkracht door gewapende bendeleden.