IJslandse betovering in Antwerpse Rivierenhof

De muziek van Sigur Rós is als een wonderlijk sprookjesbos. Geen betere locatie mogelijk dus voor hun enige Belgische concert dan het Rivierenhof in Antwerpen. De groep liet het park een avond in IJslandse pracht baden.

Enkele zachte pianoklanken, meer is er niet nodig om het stampvolle Rivierenhof muisstil te krijgen. Een 1.500-tal gelukkigen -razendsnel uitverkocht was het- heeft hier een plaatsje kunnen bemachtigen. Anticipatie hangt in de lucht en de hooggespannen verwachtingen zijn merkbaar. Voor de fans is dit het concert van het jaar.

Het frêle pianomotiefje waarmee Sigur Rós opent is dat van “Ekki múkk”, een van de nummers uit het nieuwe album “Valtari”. IJslands voor “pletwals” is dat. Een misleidende titel, want de plaat valt best te omschrijven als ingetogen, minimalistisch en dromerig. Ze kunnen het nochtans als geen ander, de muzikale pletwals bovenhalen, zo tonen ze ook in Antwerpen.

Bij “Ný batteri” even later bijvoorbeeld, uit hun grote doorbraakalbum “Ágætis byrjun”, intussen ook alweer 13 jaar oud. Een van die nummers met de typische, vrijwel onvergelijkbare Sigur Rós-sound. Een rustige, lang uitgesponnen opbouw met her en der wat vreemde klanken, de ijle falsetstem van zanger Jonsí die daarover zingt en dan uiteindelijk een epische geluidsstorm als climax.

Mysterieuze sfeer

Dat Jonsi zingt in het IJslands en het verzonnen “Hopelandic”, allebei even onverstaanbaar, draagt alleen maar bij tot de mysterieuze sfeer die de band weet te creëren. Intussen is de duisternis ook helemaal ingevallen in Antwerpen en komen de sobere lichteffecten op het podium helemaal tot hun recht. Net zoals de extra blazers en strijkers die de composities rijker en voller maken.

In de setlist wordt uitgebreid geput uit “Ágætis byrjun”. In het middenstuk krijgen we meteen na elkaar het bezwerende “Svefn-g-englar”, het dromerige “Viðrar vel til Loftárása” en het triomfalistische “Olsen olsen”. Jonsí, die zijn gitaar vrijwel de hele tijd bespeelt met een strijkstok, blijft zijn enigmatische zelf. Een keer vraagt hij lichtjes verlegen of we plezier hebben, maar daar blijft het bij.

Bij het inzetten van “Hoppípolla” barst een applaus van herkenning los. Het nummer, met zijn duur van minder dan 5 minuten en zijn traditionele structuur, is het beste bewijs dat als Sigur Rós denkt: laten we eens een “gewone” vrolijke popsong maken, het dat ook meer dan uitstekend doet.

“Sorry voor de rommel”

Het is even een welkome afwisseling tussen de langere, epische nummers. En zo volgen er nog enkele als “Festival”, “Varúð” en “Hafssól”. Nummers die beginnen als een kalm IJslands bergriviertje en langzaamaan opzwellen tot een kolkende stroom. Nummers ook om heerlijk bij weg te dromen en wakker geschud te worden als de drums van Orri Dýrason invallen.

Indrukwekkend is het hoe de band de climax die ze op plaat brengen live nog intenser en nog meeslepender maakt. Tijdens “Hafssól” ramt Jónsi trouwens zo hard met zijn strijkstok op zijn gitaar dat die helemaal uiteenrafelt. Vervolgens maakt hij er iemand in het publiek heel erg gelukkig mee. De bisnummers “Vaka” en “Popplagið” sluiten het 2-uur durende concert af.

Jammer was wel dat de band last had van klankprobleempjes. Niet dat wij er ons echt aan gestoord hebben, de muziek van Sigur Rós komt sowieso met de nodige bliepjes en geknisper, maar her en der was het duidelijk niet de bedoeling. “Bedankt voor het komen en sorry voor de rommel”, zegt Jonsí op het einde. Vriendelijk, maar een verontschuldiging was echt niet nodig. Met een staande ovatie en een minutenlang applaus antwoordt het publiek dan ook met een welgemeende “takk” (dankjewel).

Joris Truyts