"Ik mag voor het eerst in 20 jaar stemmen"

In de aanloop naar de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten op 6 november laten we elke weekdag een Vlaming aan het woord die sinds kort of al een tijdje in Amerika woont.

Het is moeilijk te geloven dat ik al bijna 20 jaar in de VS woon. Time flies when you are having fun. In ’93 kwamen we aan in Cleveland voor de master studies van mijn man. Dat werd dan 6 jaar in Pittsburgh voor een doctoraat, en ondertussen is Atlanta onze thuisbasis sinds 2001.

We wonen met onze twee tieners en drie poezen in Dunwoody, een buitenwijk van Atlanta, in een voornamelijk Republikeinse buurt. Mijn man geeft les aan Georgia Tech, en ik haalde mijn tweede diploma in de rechten, en werk na een paar omzwervingen voor een bedrijf dat bijscholingscursussen voor advocaten organiseert.

Ik ben een echte expat. Geen echte Belg meer, maar terzelfdertijd profileer ik mezelf nog steeds als Europeaan, en voeden we onze kinderen tweetaling op. En toch een beetje Amerikaan, want in maart van dit jaar ben ik Amerikaans staatsburger, vooral om te kunnen stemmen.

"Groot geld heeft meer en meer invloed"

Op 6 november 2012 ga ik voor het eerst in bijna 20 jaar stemmen, een paar Belgische verkiezingen niet inbegrepen. Maar het is met gemengde gevoelens dat ik nu deel uitmaak van de 55% van de Amerikanen die effectief naar het kieshokje gaan.

Uiteindelijk is mijn stem van geen belang heeft omdat de president niet rechtstreeks verkozen wordt in de VS, maar door het electoral college van een staat.

Georgia is een “winner-takes-all” staat, waarbij alle stemmen naar het electoral college gaan dat meer dan 50% van de kiezers achter zich schaart. Als democraat weet ik dat de meerderheid van de Georgians traditioneel conservatief stemt, en de staat naar de Republikeinen gaat. (Maar Republikeinen in California zitten met hetzelfde probleem, die staat kleurt steevast Democratisch).

Maar wat mij vooral stoort, is de steeds toenemende invloed van groot geld op de verkiezingen. Een kandidaat moet voortdurend geld inzamelen om de vloedgolf aan reclameboodschappen voor televisie en radio te kunnen betalen. Geen vrije zendtijd voor politieke partijen hier (buiten de debatten tegen het einde van de campagnes), maar des te meer voor de hoogste bieder.

En door het systeem van het electoral college, wordt alle reclame geconcentreerd in een handvol zogenoemde swing-states, waar er geen partij al een uitgesproken meerderheid heeft.

Waarheid wordt vaak zwaar op de korrel genomen

Dit zijn de eerste verkiezingen na de Citizens United beslissing van het Hoog Gerechtshof, waarin aan vennootschappen hetzelfde recht op vrije meningsuiting werd toegekend als individuen.

Vanaf 2010 staat er ook geen limiet meer op de sommen die bedrijven en individuen mogen geven aan politieke groepen om campagne te voeren. Het trieste gevolg is dat miljoenen dollars in zogenoemde PACs (Political Actions Committee) gepompt worden, vooral met de bedoeling zeer dubieuze boodschappen de ether in te sturen.

Het recht op vrije meningsuiting houdt ook in dat iedereen gelijk wat mag beweren, en de waarheid wordt vaak zwaar op de korrel genomen.

De media speelt een ook ontzettend belangrijke rol. Neutrale berichtgeving moet het al te vaak onderdoen voor opinies, en hoewel de openbare omroep nieuws blijft produceren van hoge kwaliteit, de netwerken met vaak sterke politieke voorkeur halen steeds de bovenhand en brengen hun kijkers wat die willen horen, zwaar gekleurde informatie.

Er zijn schattingen dat er in deze verkiezingscampagne een totaal van 6,5 miljard dollar besteed zal worden aan reclame. Reclame makers gaan er beter op geworden zijn. Of dit de Amerikaanse democratie ten goede zal komen is meer twijfelachtig.

Katrien Hemelsoet