"Kosten voor de vergrijzing vallen veel hoger uit"

Uit het jaarrapport van de Studiecommissie voor de Vergrijzing blijkt dat de kosten voor de vergrijzing veel hoger uitvallen dan geschat. De positieve effecten van de pensioenhervorming worden tenietgedaan door de economische crisis. "De pensioenregeling moet nog strenger", waarschuwt minister Van Quickenborne.

Tussen nu en 2060 zullen de pensioenen en de uitgaven in de gezondheidszorg 6,1 procent van het bruto binnenlands product bedragen. Dat is ruim een half procent meer dan vorig jaar was begroot. Volgens Jan Verschooten van de Studiecommissie heeft dat te maken met de economische crisis: "Er is een hogere werkloosheid dan we voorzien hadden in het verleden. Daardoor slabakt de economische groei in alle Europese landen en dat heeft een effect op de kosten voor de vergrijzing."

De problemen zijn nog steeds dezelfde: er zijn te weinig mensen aan het werk, en zij die wel werken stoppen er te vroeg mee. "Slecht 5 procent van onze werknemers werkt tot zijn 65e. Dat betekent dat 95 procent daarvoor al uit de arbeidsmarkt is gestapt. We zullen dus alle systemen van vervroegde pensionering verder moeten verstrengen. Ik heb daar al stappen in gezet, maar de komende jaren zullen we dat nog meer moeten doen", zegt minister van Pensioenen Vincent Van Quickenborne (Open VLD, foto).

Er is ook positief nieuws: uit het rapport blijkt dat gepensioneerden nu minder kans lopen om in armoede terecht te komen, omdat een aantal minimumpensioenen zijn opgetrokken. Zo is het risico dat gepensioneerden in armoede belanden 16,1 procent, een cijfer dat bij werklozen (30,4 procent) of inactieven (24,5 procent) veel hoger ligt. Het gemiddelde armoederisico in België bedraagt 14,6 procent.