Akkoord tussen VS en BP over ramp Deepwater Horizon

BP heeft de gesprekken afgerond met de Amerikaanse autoriteiten over een schade-vergoeding voor de ramp met het olieplatform Deepwater Horizon in 2010. De multinational stemt in met een boete van 4,5 miljard dollar, de grootste boete uit de geschiedenis van de VS.

De ontploffing op het olieboorplatform in de Golf van Mexico kostte 11 medewerkers het leven. Drie maanden lang lekte dagelijks 7 miljoen liter olie in zee. Het werd de grootste milieuramp in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Sindsdien lopen tegen uitbater BP verschillende gerechtelijke claims.

Grootste boete uit geschiedenis VS

Het oliebedrijf zat lange tijd aan tafel met de Amerikaanse autoriteiten om een minnelijke schikking te treffen. De multinational zou van verdere strafvervolging gevrijwaard worden als hij instemde met een boete. Die is nu vastgelegd op $ 4,5 miljard.

Het bedrag is goed voor de grootste boete uit de Amerikaanse geschiedenis. Tot vandaag stond het record op naam van de geneesmiddelenproducent Pfizer die in 2009 een boete van $ 1,2 miljard betaalde. Het is ook heel wat meer dan de $ 1 miljard die Exxon betaalde na de ramp met de Exxon Valdez in 1989. Die veroorzaakte toen grote milieuschade voor de kust van Alaska.

38 miljard dollar opzij gezet

Eerder had BP al $ 14 miljard aan reparatie- en reinigingskosten betaald, onder meer voor het dichten van het lek. Nog eens $ 9 miljard werd aan privéklagers uitgekeerd. Ook duizenden lokale bewoners die zwaar te lijden hadden onder de ramp hadden het bedrijf aangeklaagd. Met hen is BP een vergoeding van $ 7,8 miljard overeengekomen. Dat geld is evenwel nog niet uitbetaald.

BP lijkt met nog meer schadeclaims rekening te houden. Het bedrijf heeft zo'n $ 38 miljard (zo'n € 30 miljard) opzijgezet voor toekomstige vergoedingen.