De ziel van de carnavalist

In Aalst is het weer zover. Drie dagen (en vooral nachten) viert de Ajuinenstad carnaval. Het dagschema wordt beschreven in één van de tientallen carnavalsliedjes: “zaterdagavond de Katrienen, zondag achternoen de stoet. Maandag vastelauved vieren. De voil jeanetten nog tegoed”. (op de melodie van Linda De Souza) Wie van Aalst is, weet waarom. Wie niet van Aalst is, begrijpt er geen snars van. Zo wordt toch gezegd. Maar waarom?
labels
Analyse

Wie niet van stad of streek is, vraagt zich blijkbaar elk jaar opnieuw af: wat zit er daar toch in het Denderwater, dat Aalstenaars zich zo graag verkleden als vrouw, om dan drie dagen lang door hun stad te dwalen. Het is nochtans niet zo moeilijk. Carnaval is een volkse traditie, zoals we er wel meer hebben. Waarom sleuren Brusselaars elk jaar een boom door hun stad? Waarom drinken ze in Geraardsbergen levende visjes? Het zijn van die mooie gebruiken die gelukkig in stand worden gehouden.

Carnaval, letterlijk afscheid nemen van het vlees, wordt al sinds de middeleeuwen gevierd net voor de vasten. Je nog even goed laten gaan voor de periode van onthouding en bezinning begint. Een beetje erfgoed heeft nog nooit iemand kwaad gedaan. Niet dat de gemiddelde carnavalist er een geschiedkundig werk over zou kunnen schrijven. Maar da’s net het mooie. Dat hoeft niet.

De voil jeanetten

Maar die vrouwenkleren, hoor ik u zeggen. En die drank. Tja, er wordt inderdaad wat afgezopen. Maar het als een driedaags zuipfestijn afdoen, is carnaval oneer aandoen. We zeggen dat toch ook niet over de cyclocross, terwijl daar ook op een uur of wat aardig wat pinten worden getapt. Er zijn er altijd die overdrijven.

De voil jeanetten vinden hun oorsprong in de negentiende eeuw, toen mannen geen geld hadden om verkleedkledij te kopen en dan maar in de kleerkast van hun vrouw kropen. Dat dat populair blijft, heeft veel te maken met de aard van het beestje. Lees Boon, gedenk Daens en je weet waar Aalstenaars vandaan komen. Een geschiedenis van extreme armoede die zijn sporen nog heeft in het heden. De stad waar de fabriek letterlijk in het centrum staat, is nog altijd geen Sint-Martens-Latem. Het is een stad en streek van het gewone volk.

Van metselaars en loodgieters. Kleine middenstanders en ambtenaren. Veel ambtenaren, zo leerden we enkele jaren geleden nog in een uitzending van Panorama. Een liberale schepen verschafte veel van haar kiezers werk “op ‘t ministerie”, zoals ze dat in Aalst zeggen. Die achtergrond, die samenstelling, verklaart volgens mij mee waarom de inwoners zich elk jaar drie dagen het recht voorbehouden om foert te zeggen te gevestigde orde. Om die letterlijk een (feest)neus te zeggen. Voor even toch.

Een sociaal gebeuren

Maar.. niet alle Aalstenaars lopen drie dagen verkleed rond in de straten van hun stad. Er zijn er genoeg die de stad gewoon ontvluchten. Omdat ze de geur van kots en pis niet kunnen harden. Of omdat ze liever gaan skiën. En dan zijn er nog de nieuwe Aalstenaars. U weet wel, zij die met de trein vanuit Brussel kwamen. De stad heeft daarvoor sinds kort een speciale schepen, van Integratie en Vlaamse Zaken. Weinig kans dat u die inwijkelingen aantreft tussen de feestende massa. En dat is jammer.

Want carnaval is meer dan drie dagen fuiven. Het is een sociaal gebeuren dat, voor wie meer is dan de nieuwsgierige passant, bijna het hele jaar rond leeft. De boutade zegt: op aswoensdag, het einde van de esbattementen en het begin van de vasten, begint de voorbereiding voor het volgende carnavalsfeest. Met eetfestijnen wordt de kas van de carnavalsgroep gestijfd, plannen voor nieuwe wagens en kostuums worden gesmeed en moeten vooral worden uitgevoerd. Maanden aan een stuk zijn ze daar mee bezig.

Werk voor de nieuwe schepen

Qua gemeenschapsgevoel kan dat tellen. Alleen… in de hallen waar de wagens gemaakt worden, vind je (op uitzonderingen na natuurlijk) alleen witte gezichten. En dat ligt niet aan het piepschuim dat in het rond vliegt. Er is dus zeker werk voor die nieuwe schepen. Je zou kunnen zeggen: hij is over zes jaar pas geslaagd als er meer gekleurde medemensen in de carnavalsgroepen zitten. Als zo’n gekleurde Aalstenaar uit volle borst kan meezingen: “men ienig Oilsjt”.

Bart Verhulst

(De auteur is Wetstraatjournalist en groeide op in aalst en omgeving.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u zich schikt naar de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod