Toen modern nog in de mode was - Lucas Vanclooster

Verkeert u ook in de waan dat abstracte en modernistische kunst onbegrijpelijk, saai en snobistisch is? Forget it. Het Museum voor Schone Kunsten in Gent heeft 10 zalen gevuld met schilderijen, sculpturen, grafiek, foto’s en architectuur van jonge kunstenaars uit de periodenet na de eerste wereldoorlog. De werken hebben hun dynamische frisheid meer dan behouden.
labels
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

Dit is de laatste tentoonstelling in het Gentse museum waarvoor de net 1 jaar geleden overleden directeur Robert Hoozee het initiatief nam. Zoals altijd bij Hoozee levert dat een toegankelijke en vrij avontuurlijke, gevarieerde expositie op. Samen met Ford Maddox Brown vorig jaar is dit het testament van een van onze beste tentoonstellingenbedenkers.

Niet voluit abstract

Wanneer had u het met moderne kunst, abstracte installaties en doeken die alleen een zwart vlak tonen? Moeilijk na te gaan wellicht, maar “Modernisme, Belgische abstracte kunst en Europa” geeft de kans om weer aan te haken. De jonge kunstenaars van bijna 100 jaar geleden gingen niet voluit abstract, maar behielden klassieke technieken en thema’s van het stilleven, het landschap, de mens. Een hoogst interessante stap weg van traditionele kunst dus, precies omdat curator Johan De Smet de toeschouwer zacht bij de hand neemt. Zelfs de zalen met zogenoemde rigide abstracte kunst en purisme vallen op door de voorzichtige overgang naar het hedendaagse.

Al meteen in de eerste zaal tonen 2 kunstenaars waar het om ging: in “De Opstand” van Luigi Russolo stuwt een rode massa in pijlvorm naar een kleurrijke toekomst, en in het woeste “Snelheid” vat Jules Schmalzigaug het streven van zijn generatie samen. “Beweging” van dezelfde Nederlandse Antwerpenaar toont een draaiende propeller. In een andere zaal zijn er het prachtige “Trein” uit 1925 van Karel Maes, en een dynamische “Lokomotief” van Hubert Wolfs.

Van Tongerloo

Er zijn schitterende doeken en objecten van onze onderschatte topkunstenaar Georges Van Tongerloo (grote foto boven). Hij verrast met Lego-achtige bouwseltjes en een maquette van een ijzeren brug.

In deze pre-conclaaf-tijden is “De Roem van de kardinaal” van Prosper De Troyer hoogst actueel, het werk voorspelt trouwens “De kardinaal” van Bacon. Ook de Antwerpse avant-gardist Paul Joostens, een man die bomen haatte, uit de entourage van Van Ostaijen en Jespers, is met knappe wilde collages present. Uit dezelfde invloedssfeer stammen de covers van het tijdschrift “Het Overzicht’, en van de dichtbundel “Bezette Stad”.

René Magritte en Felix De Boeck hadden hun abstracte periode. Met “Smeden” uit 1920 en “De Naaister” 4 jaar later toont Magritte al een bescheiden surrealistische invloed. Zijn kamerscherm in de afdeling architectuur zit al meer op de lijn van zijn absurd-decoratieve humor. De latere agrarisch-religieus bevlogen Felix De Boeck is in 1918 nog letterlijk bezig met “Zoeken naar Constructie”. Heerlijk als je weet wat er later komt.


Johan De Smet heeft een poging ondernomen om het dadaïstische Cabaret Voltaire na te bouwen. In een besloten houten ruimte zie je documenten, collages, knutselarijen en kladwerk, embryonale versies van latere grensverleggende artefacten.
De “Opussen” van de Vlaams-Brabantse pionier Victor Servranckx, die onlangs een overzicht kreeg in Oostende, ontbreken niet. Hij is een van onze belangrijkste en moedigste modernisten.
 

Naast Kandinsky

Een grote verdienste van deze tentoonstelling is het glasheldere bewijs dat onze kunstenaars naast grote buitenlanders als Fernand Léger en Kandinsky mogen staan. Meer, onze jonge abstracten inspireerden Nederlanders en Fransen. En zo is het daarna gebleven.

Er zijn voortdurend projecties van stille films, en Johan De Smet toont een wijd scala aan zwart-wit-foto’s. Weinige zijn echt abstract, de meeste beklemtonen een technisch of mechanisch element, tramsporen, wielen, bruggen, de Eiffel- en Boerentoren, auto’s, neonreclames…Willy Kessels waagt zich al aan samenstellingen van verschillende gebouwen die hij hoekig en haaks in elkaar propt.
 

Architectuur

En dan de architectuur, kunst waar je doorheen kan lopen, in wonen en werken, en waar je op kan zitten. Al mag dat hier niet, begrijpelijk. De grote kanonnen: Le Corbusier (ook als schilder verrassend aanwezig) , Renaat Braem, Victor Bourgeois, Henry Van de Velde, de ongelukkige Gaston Eysselinck en de vrolijke Huib Hoste van wie er een echte ronduit grappige kakelbonte woonkamer staat. Moderne kunst die een groot heimwee veroorzaakt, een vreemde confronterende ervaring.


Een bijkomend aardig element van deze tentoonstelling is dat je ook eens naar de vaste collectie van het wonderlijke museum kan ontsnappen. Die bevat namelijk veel werk van de periode net voor de modernisten. De ronde zaal met bankjes biedt overigens een fijn rustpunt tijdens de toch wel uitgestrekte expositie.


 

Tegengif

Frank De Boosere zegt het dus is het waar: deze winter overtreft alle vorige in grijze somberheid, vanaf 1887 of daaromtrent. De kleurenrijkdom en de jeugdige soms overmoedige dynamiek van onze modernisten zijn een perfect tegengif.

Kunst kan vermoedelijk de wereld redden, maar zeker bevat deze tentoonstelling een zonnige heldere feel good-factor.
Tot eind juni, MSK Gent.
 

Lucas Vanclooster

(De auteur is cultuurredacteur bij VRT Nieuws.)

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod