Een politieke koekoeksklok - Mark Eyskens

Om 10:00 ’s ochtends, dinsdag 5 maart, was Steven Van Ackere nog minister van financiën en een van de machtigste personen van het vaderland en om 17:00 legde professor Koen Geens de eed af in handen van de koning als minister van financiën. Op het eerste gezicht een bewijs van feilloos werkende politieke high tech en een aangepaste en verbeterde versie van de Zwitserse koekoeksklok: buiten en binnen, toegepast op de Belgische politiek, zonder te veel touwtrekkerij en gekonkel.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

Bedrieglijke perceptie

Andermaal echter is de perceptie bedrieglijk. Het Shakespeariaanse en persoonlijke drama speelde zich af achter het luikje van de koekoeksklok. Steven Van Ackere was moe gesard door de aanvallen en insinuaties in de Belfius-affaire. Hij heeft een zeer begrijpelijke menselijke reflex gehad in de zin van: “wat denken ze wel! “ en hij heeft de deur achter zich dicht gesmakt. In onze ultra gemediatiseerde samenleving heeft de politicus steeds meer de indruk dat hij van ’s ochtends tot ’s avonds zijn onschuld moet bewijzen.

Wie politieke verantwoordelijkheid opneemt is van meet af aan verdacht en schuldig. Om schuldig te zijn volstaat het immers beschuldigd te worden. Wat gewoon blijkt uit de beschuldigingen die tegen hem worden geuit door de oppositie en herhaald in kleuren en geuren en becommentarieerd in de diverse media. Er is geen verschil meer tussen een vlieg en een politicus. Beiden kunnen immers met een krant dood worden gemept. En de houdbaarheidsdatum van een politicus schijnt almaar door korter te worden.

Begripsverwarring

Macht, gezag en invloed in de politiek kunnen niet worden losgekoppeld van begrippen en normen als verantwoordelijkheid, verantwoordingsplicht, aansprakelijkheid, aanspreekbaarheid en schuld. De ervaring leert dat in dit verband vaak een zeer grote begripsverwarring optreedt. Het ontslag van Steven Van Ackere was niet het eerste spectaculaire geval van een minister die er genoeg van had. Dit is ook gebleken naar aanleiding van politieke incidenten die geleid hebben tot het ontslag van andere ministers in vorige regeringen.

In een parlementaire democratie zijn ministers verantwoordelijk voor hun politieke beslissingen, daden en verklaringen. ‘On ne peut régner innocemment’, zei Saint-Just (1767-1794). Ministers zijn ook politiek verantwoordelijk voor wat gebeurt in het departement waarvan zij de leiding hebben. Ze zijn medeverantwoordelijk voor de wetgevende en bestuurlijke initiatieven die ze al dan niet nemen. In gevallen van flagrante wetsovertreding zijn ze gebeurlijk ook burgerrechtelijk en strafrechtelijk aansprakelijk.

Voor deze laatste gevallen zijn parlementaire behandelingsprocedures uitgewerkt, die het optreden van de gerechtelijke overheden ten aanzien van ministers de jongste jaren, naar aanleiding van een aantal corruptieschandalen, aanzienlijk hebben vergemakkelijkt. En dat is een gunstige evolutie.

Verantwoordelijk voor het parlement

Wat de politieke verantwoordelijkheid van de minister betreft, is het mijn standpunt dat een minister vierentwintig uur op vierentwintig verantwoordelijk is tegenover het parlement en bijgevolg ook verplicht is op elk moment over alle aspecten van zijn beleid in het parlement verantwoording af te leggen. De minister kan op elk ogenblik ondervraagd of geïnterpelleerd worden en daarbij onderworpen worden aan een vertrouwensstemming. Het is duidelijk dat, indien een minister bij dergelijke stemming, niet langer het vertrouwen van het parlement geniet, hij zijn ontslag als minister aan de koning dient aan te bieden. Zo luiden de uit de grondwet voortvloeiende ministeriële verantwoordelijkheidsbeginselen en verantwoordingsregels.

De affaire Khaled

Zelf heb ik in mijn eigen politiek verleden als minister van buitenlandse Zaken af te rekenen gehad met een stekelige dossier van een vermeende terrorist, Walid Khaled, die in het bezit was geraakt van een Belgisch inreisvisum en rondwandelde op de grote Markt te Brussel op het ogenblik dat een Belgische familie, door islamisten gegijzeld, dankzij de inspanningen van de medewerkers en mezelf werd vrijgelaten.

Grote herrie ontstond in eerste instantie die door de oppositie werd aangezwengeld. Maandenlang werd ik aan een bombardement van kritiek onderworpen en het parlement werd zelfs een onderzoekscommissie opgericht. Van diverse zijden werd mij gesuggereerd ontslag te nemen. Maar ik vond dat ik moest blijven zolang ik het vertrouwen genoot van het parlement. Interpellaties en een vertrouwensstemming in het parlement heb  ik toen overleefd.

Zeer vlug is de storm gaan luwen en toen een paar maanden later Walid Khaled blijkbaar door zijn eigen mensen werd omgebracht omdat hij een dubbele agent was en ook werkte voor de Fransen  werd deze sensationele revelatie nog nauwelijks in de Belgische pers vermeld. Steven Vanackere heeft in het parlement zeer uitvoerig uitleg verstrekt en zich strikt gehouden aan de normale parlementaire gedragsregels. En niemand vroeg zijn ontslag.

De media en de publieke opinie

Toch hield de hetze tegen hem niet op. Het lijkt mij nochtans absoluut noodzakelijk te onderstrepen dat een minister in een parlementaire democratie niet politiek verantwoordelijk is tegenover de media en evenmin tegenover de publieke opinie. Tenzij in de specifieke omstandigheden van verkiezingen, die de beleidsman dwingen verantwoording af te leggen tegenover zijn potentiële kiezers. In een representatieve democratie wordt verantwoording principieel afgelegd in het parlement, dat oordeelt over de daden van de minister.

Dit belet uiteraard niet dat de media kritiek kunnen uitoefenen, de minister kunnen bekampen of hem in het gedrang kunnen brengen en dat als gevolg hiervan de minister in de openbare opinie heel slecht kan gaan scoren of overkomen als een uit de regering te verwijderen boeman. Wat zeker niet het geval was met Steven Vanackere. Tot op het laatste moment bleef zijn persoonlijk krediet zeer aanzienlijk en onaangetast. Het laatste woord is alvast aan het parlement om te beslissen over het lot van de minister. Zo ben ik van oordeel dat de jongste decennia erg lichtzinnig is omgesprongen met het ‘gedwongen’ ontslag van ministers, vooraleer het parlement zich hierover kon uitspreken.

De ontsnapping van Dutroux

Toen Marc Dutroux in 1995 een paar uur lang was ontsnapt uit de gevangenis, hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken onmiddellijk ontslag genomen, als zoenoffer op het altaar van de publieke opinie. Hadden zij in een wat meer serene sfeer de dag nadien aan het parlement uit kunnen leggen wat er juist was gebeurd, hadden zij naar alle waarschijnlijkheid het vertrouwen van de Kamer gekregen.

Dezelfde analyse past bij de dioxinecrisis en het ‘opofferen’ van de toenmalige ministers van Landbouw en Volksgezondheid in de regering-Dehaene in 1999. Ook in de Fortiszaak zijn heel wat ministeriële ontslagen gevallen (Leterme, Vandeurzen, Vervotte), die niet in het parlement werden afgedwongen.

Gebrek aan humor

Het heengaan van Steven Vanackere heeft iets triests, want het illustreert de bikkelhardheid van het politieke bedrijf, dat blijkbaar gedomineerd wordt door de darwinistische wet van de ‘struggle for life and the survival of the fittest’. Achter zijn rug blijkt dat ook vanuit het politieke milieu tegen hem werd gekuipt en allerlei lekken werden georganiseerd. Erg frustrerend in de spektakelpolitiek is dat leugenachtige beweringen des te geloofwaardiger zijn naarmate ze grover zijn. Logenstraffingen hebben vaak een averechts effect en vergroten nog de geloofwaardigheid van de geruchten, die steevast als berichten de wereld worden ingestuurd.

In de politiek tellen bovendien enkel de resultaten en de oplossingen. De goede intenties zijn niet ter zake. Van een politicus wordt bovendien verwacht dat hij met de media communiceert op een wijze die hen bevalt, wat veel verbale handigheid vereist en waarbij zogenaamde versprekingen – a slip of the tongue – evenveel valkuilen zijn. Tenzij de hogelijk begaafde politicus deze juist doelbewust aanwendt om zijn tegenstrevers in opperste verwarring te brengen. Belangrijk is ook dat de politicus, in zijn verdediging, voldoende zin voor humor en ironie aan de dag legt, zonder te vervallen in schofferend sarcasme of arrogant cynisme.

Vaak heb ik gezegd dat België een land is dat wordt gekenmerkt door een gebrek aan ernst, verergerd door een gebrek aan humor. Met de nieuwe minister van financiën, professor Koen Geens, treedt iemand de politieke arena binnen die inderdaad de Britse humor met verve en talent weet te hanteren. Toch zullen deze gaven niet volstaan om in het parlement en vooral in de bevoegde commissies tussen de talloze klippen te laveren.

In alle openheid

Ten gronde is het duidelijk dat in het ACW-Belfius zaak volledige openheid moet worden gegeven en dat onder vigerende voorwaarden van discretie wellicht ook de betwiste contracten door parlementsleden moeten kunnen worden nagetrokken. Vervolgens moet de regering en/of de betrokken ministers een vertrouwensstemming vragen aan het parlement. Andere veel belangrijker dossiers, die bepalend zijn voor de economische toekomst van het land, wachten op duidelijke beleidsbeslissingen van het kabinet. Ook de zesde staatshervorming moet worden gerealiseerd en de tijd dringt.

Unieke positie

De oppositie is in haar rol wanneer zij de regering en bepaalde ministers het politieke leven poogt zuur te maken. Toch is het voeren van oppositie ook verondersteld rekening te houden met bepaalde deontologische regels waarbij grenzen van elementaire eerbied voor de tegenstrever, als persoon, niet worden overschreden. De huidige oppositie, belichaamd door N-VA, legt het er op aan de federale regering volledig in diskrediet te brengen in de wetenschap dat een verzwakking van het federale niveau de weg effent naar intern separatisme – confederalisme genaamd - en vervolgens het uiteenvallen van het land.

De christendemocraten hebben sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog, ook dankzij het christelijk personalisme en de ideologie van de solidariteit tussen de mensen, een volkspartij opgericht en in stand gehouden die een uniek profiel had en heeft in het politieke landschap. Zowel CVP als CD&V beogen het middenveld te betrekken bij het beleid dat gericht is op het behartigen van het algemeen welzijn voor alle burgers. De steun van de grote sociaaleconomische organisaties is hierbij bij een essentiële vereiste.

Het verminderen van de invloed van de christendemocratie op politiek vlak maar ook in de andere geledingen van de samenleving vereist derhalve dat wordt ingehakt, met alle middelen, op dit middenveld. Daarbij wordt gemikt op een links-rechts polarisatie – bovendien over de taalgrens heen – waardoor men niet alleen het land onbestuurbaar maakt maar elk maatschappelijk beleid ten zeerste bemoeilijkt.

In Vlaanderen dreigt een steeds meer rechts intolerante beleid zo worden gepromoot op alle gebieden, ook inzake immigratie, interculturaliteit, vreemdelingenbeleid, vormen van diversiteit tot en met op seksueel gebied. Dit is een bijzonder verontrustende evolutie in een samenleving die geen samenloosheid mag worden en waarin het opnemen van beschavingsverantwoordelijkheid nog veel belangrijker is dan het opnemen van politieke verantwoordelijkheid.

Mark Eyskens

(De auteur is minister van Staat.)

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.