Super-duper-veilig! - Celia Ledoux

Wat ben ik toch een bofkont, man. Vanochtend ging ik naar mijn werkplek toe, en daar stond op de hoek van de straat: een politieman. Met als enige schijnbaar levensdoel mij met zo'n licht paternalistische zwaai vanonderen het zebrapad over te krijgen – dat waar de auto's altijd gedwee stoppen zonder autoritaire incentive. Ik zei toch maar dank u. Die straathoek krijgt de man voorzekerst de burnout in, elk beetje appreciatie is nodig.

Meer blauw

Mijn slaapdronken brein herinnerde zich het promofilmpje van een gemeenteraadslid. Hij pleitte voor meer blauw op straat: je zag geen agenten. Nu woon ik – oh Sodom en Gomorra – weliswaar in Brussel, maar in zo'n dommelende randgemeente die eerder Knokke-Zoute incarneert dan een Franse banlieue. Zo'n plek waar uw verloren portefeuille 's avonds op de mat ligt met een briefje: Pas op voor boeven! (Mogelijk in het Frans. Toch nog Sodom en Gomorra!)
En echt waar: één flik meer op straat, en hier hangt meer blauw dan burger rond.
 

Pas op: koffie is warm

Deze stad schiet voortdurend waarschuwingen op je af. De metro etaleert paniekaffiches: het veiligheidssignaal negeren is levensgevaarlijk! Nu is eerder de tramvoorrang negeren gevaarlijk – ettelijke ongelukken en een aantal doden per jaar – maar de cynismemeter doet vermoeden dat metrovertragingen meer geldverlies en klachten opleveren. Pas op: voor het opstapje, de centimeters tussen metro en kaai, voor pickpockets, geweld, baby's, eten, anderen, de deur en het vertreksignaal. Lordy my!
Ik heb zin in koffie, maar loop de koffieketen voorbij. Die bekers met Pas op, hete vloeistof. Komaan gast. In de metro volgt een honderdtal onbemande camera's mij. Hun blik staat altijd op maandagochtend.
 

Veiligheid en angst

De grootste lol zit 'm in het pervers effect. Onderzoek over het fameuze Blauw op Straat toont dat zenuwachtigheid en onveiligheidsgevoel stijgen met meer politiemensen op straat. Vragenlijsten voor ouders zoals ook onze PMS-centra verstrekken – komt er geestelijke labiliteit in de familie voor? Geweld, mishandeling? – blijken in Nederland naast stapels papierwerk vooral labels te genereren bij gezonde, gemiddelde ouders, die in hun centraal dossier een oormerk van wantrouwen krijgen en dus door instanties allerhande worden doorgelicht, terwijl echte probleemgezinnen langs de oppervlakkige radar heen laveren. Ik zou dolgraag een behoorlijke studie zien over wat kleine onbemande spiedbuisjes en waarschuwingen allerhande met je veiligheidsgevoel doen, laat staan hoeveel wantrouwen ze opwekken.

Veiligheid is natuurlijk een basisnood voor elke mens, maar ook een marketing-veelverkracht modewoord. Ons aller veiligheid rechtvaardigt maatregelen tot oorlog aan toe – zelfs als er eerder olie en tewerkstelling op het spel staan. Deze veiligheid heeft niet met nestwarmte of thuisgevoel te maken, meer met overgewaaide Amerikaanse litigatiecultuur. Het rendeert ook buiten rechtszaken. Twijfelen aan veiligheid betekent angst. Angst betekent consumptie, indekken, verdienen.

Stiekem gekat

De beleefde boodschappen dragen een tweede betekenis mee, die echter lijkt en de ergernis die ze opwekken verklaart. “Onze koffiebekers zijn prima, u moet gewoon beter oppassen.” “Hier moet een politieman staan want homo homini lupus est.” “Deze camera's vervangen de overmaat aan menselijk patrouilleren die deze onveilige stad vraagt.” Universeler: “Pas op: een bloeddorstig idioot als de mens blijft met duizend veiligheidsmaatregelen nog onbetrouwbaar.”

De letterlijke boodschap roept op tot een veilige samenleving en individuele verantwoordelijkheid. De figuurlijke is passief-agressief gekat. Beide negeren ze consequent de mogelijkheid tot wederzijds vertrouwen en vanzelfsprekende bijstand. Het lijkt alsof elk van deze waarschuwingen solidariteit wil uittelen. “U bent uw eigen en mekaars bedreiging”. Zijn wij, erger dan kleuters, als ongeluk der natuur alleen in stand te houden dankzij de grootste waakzaamheid en voorzorg? Of werkt al dat gewaarschuw zoals overbezorgde opvoedkreten – “Pas op, doe je geen zeer”, met bijhorende angstval? Maar ja: angst verdient.
 

Oh nee: dienstverlening!

Er is de perverse troost dat er erger is. Comfort en de mate waarin men de hooggeëerde klant dolgraag wil dienen, toppen alle beveiligingsdrang. “Een betere dienstverlening” verantwoordt een zwaar overgeprijsde elektriciteits- en telecomfactuur, ettelijk ongemak bij openbare verbouwing en – dit is een moeilijke – zelfs het opheffen en ingewikkelder maken van diensten. Dat een klant voor internetbanking betaalt, terwijl dat een bank ettelijke taken uit handen neemt, blijft een travestie. Dat Fyra faalt is de blikvanger, maar zelfs met perfect functioneren was de 'verbetering' twijfelachtig: weegt dienstverlening van een schijnbaar iets snellere trein echt op tegen zijn democratische, want zorgeloos reservatieloze en veel goedkopere, voorganger?

Met zijn glanzend suikerlaagje smaakt de veiligheids- en comfortpraat naar nineties: het hoeft niet waar te zijn, als het maar flitsend klinkt. Maar flitsend werkt niet meer. In dit tijdperk kijken we het vuil allang weer in de ogen en zijn zelfs pulpseries standaard gritty. Authenticiteit is zo belangrijk dat het op zijn beurt marketingwoord werd. Elke grootketen koopt zuurdesembrood in. Maar het klopt nog met de tijdsgeest. We willen een mens nog steeds de raarste standpunten en acties vergeven, als hij maar eerlijk is of lijkt.

"This city is pretty fucking safe!"

Ik ben kind van mijn tijd. Ik snak naar een verbouwingsbord met “Al dat boren is pokkelastig, maar de boel viel stilaan uit mekaar”. Naar een beker met hoogstens: “Deze koffie is loeiheet en zo wil u hem”. Een metrostation waar bij de ingang in neonletters staat: “THIS CITY IS PRETTY FUCKING SAFE. GET OVER YOURSELF AND HAVE A CHAT.” De statistieken hoeven er niet bij. Het Engels wel. Dat blijft nog een half decenniumpje in de mode, en die expats zijn vaak het bangst.


Maar die vraag zelf is een denkfout. Marketing is darwinistischer dan welke biotoop in zijn aanpassingsvermogen, en de dienstverlening vliegt nog steeds op ons af. De waarschuwingen. Ohjee en alstublieft in kruiperig-agressieve overvloed. Werkt dat zo goed?

Laat verbouwingen plaats hebben. Laat een bedrijf bezuinigen; laat ze voor mijn part proberen al dan niet geoorloofde winst te maken. En laat ik, in de aard van die straks alweer verjaarde tijdsgeest, om eerlijkheid vragen. Om bevrijding. Ik wil veel slikken. Als het maar niet in naam van dienstverlening en persoonlijke nood op mijn conto wordt geschoven als fruitpap in een onwillige babybek: dan mag er veel. Dan mag u mij, als het echt moet, zelfs verdomme veilig houden.
Maar ik heb niets te willen. Ik moet kopen. En angst: dat verkoopt.
 

Celia Ledoux

(De auteur is columniste en schrijfster.)

lees ook