Arbeiders verdienen beter - Marc Leemans

Soms wordt gesteld dat het moeilijk is personeel af te danken in België. Honda is overtuigd van het tegendeel. Eerder is het tamelijk gemakkelijk personeel te ontslaan, vergeleken met omringende landen. Zo staat het letterlijk in de brochure van de Belgisch-Japanse Kamer van Koophandel, over Japanse ondernemingen die zaken doen in België.
opinie
Opinie
Aansturen van de 'opinie' teaser o.a. op de home pagina en 'opinie' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'opinie' overzichtspagina

U herinnert zich nog wel die commotie rond die brochure. De Belgische werkgevers waren er wat door gegeneerd, bleek toen uit de kranten. Feit is dat onze ontslagbescherming volgens internationale maatstaven globaal genomen bijzonder soepel is. Bij de arbeiders natuurlijk vooral omwille van de bijzonder lage opzegtermijnen. Bij de bedienden omdat er, tenzij bij collectieve afdankingen, geen enkele procedure moet worden gerespecteerd. Zodat er, internationaal gesproken, toch wel wat rek op zit om voor iedereen tot een fatsoenlijke en gelijkwaardige ontslagbescherming te komen. En waarbij niet enkel het fatsoen, maar ook de gelijke waarde essentieel zijn. Trouwens in 2011 heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat die ongelijkwaardigheid tussen arbeiders en bedienden tegen 8 juli eerstkomend de wereld uit moet.

En dat gaat over meer dan ontslagbescherming alleen. Zo zien wij het toch.

Kunstmatig en onrechtvaardig

8 juli 2013, dat is precies twintig jaar nadat het Arbitragehof voor de eerste keer had vastgesteld dat het onderscheid ongrondwettig is.

Al jaren trekt en sleurt het ACV aan die kar. Arbeiders pikken het niet meer dat ze worden opgezadeld met een tweederangsstatuut. Maar even belangrijk is dat ook onze bedienden mandaat hebben gegeven om eindelijk tot een globale oplossing te komen. Het heeft mogelijk gemaakt dat we als ACV tot een eendrachtig standpunt zijn gekomen, over het geheel van de interprofessionele verschillen. Op basis waarvan we eind 2010 opnieuw de forcing hebben gevoerd, via de onderhandelingen voor een interprofessioneel akkoord (IPA) voor 2011-2012, om dit zelf trachten te regelen onder sociale partners. De consultaties bij de andere vakbonden hebben er toen anders over beslist.

VBO in achteruit

Intussen dringt de tijd. Aanvankelijk wilde de federale regering nog tijd geven aan de sociale partners tot Pasen. Maar dat betekent dat er nadien nog nauwelijks tijd is om fatsoenlijk wetgevend werk te doen. En wat als de sociale partners er opnieuw niet uit geraken? Dan hebben we weeral maanden verloren. Hetgeen verklaart waarom de Groep van 10 op 14 januari aan de regering voorstelde om maar ineens mee aan tafel te komen. Al heeft het zes weken geduurd vooraleer de regering op die vraag inging. Vorige dinsdag zijn we voor het eerst samengekomen tussen regering en sociale partners. Al was dat vooralsnog een maat voor niets.

Erger, de luwte van die zes weken werd door het VBO vooral gebruikt om grote stappen achteruit te zetten. Enigszins onder druk van de vakbondscampagnes, de gezamenlijke van het ACV en de afzonderlijke van enkele ABVV-centrales, is het VBO nu in zeven haasten een agressieve lobby- en communicatiecampagne gestart met een eigen plan.

Op leven en dood

Daarbij worden van VBO-zijde de zware woorden niet geschuwd. De vakbondsvoorstellen, dat is volgens de werkgevers “puur conservatisme”. Meer nog, dat betekent “het einde van de industrie”. En dus zijn ze maar met hun eigen plan gekomen. Een plan op leven en dood, zo noemen ze het.

Nu ja, plan is veel gezegd. Want van alle verschillen en discriminaties vinden ze dat alleen de kwestie van de verschillen in opzeg en de carenzdag (de eerste dag ziekte zonder loon voor arbeiders) op korte termijn moet geregeld worden. De andere dossiers schuiven ze voor zich uit. Over de carenzdag spreken ze zich echter niet uit.

Blijft de kwestie van de opzegtermijnen, annex verbrekingsvergoedingen, waarvoor ze kennelijk een simpele oplossing hebben: takel alle opzegregelingen af tot het op één na laagste niveau van de arbeiders. Groteske uitvergrotingen worden daarbij als argument niet geschuwd. Terwijl de gemiddelde anciënniteit van een arbeider twee jaar en negen maanden is. En vier jaar voor een bediende. En van wat overblijft moet volgens het VBO dan ook nog eens de kost van outplacement of opleiding bij ontslag worden betaald, want van die kost willen de werkgevers zo snel mogelijk af. En als bepaalde arbeiders of bedienden meer dan dat schamele niveau willen, dan moet dat maar in de sectoren worden onderhandeld. Maar wel binnen een strak en minimalistisch kader. Ze vertrouwen daar bij het VBO kennelijk hun sectorfederaties niet.

Discriminaties vastklikken

Opmerkelijk is ook wat ze voorzien voor de arbeiders die al onder contract staan. Die moeten er vooral niet aan denken dat ze vanaf 9 juli 2013 bij ontslag aanspraak menen te kunnen maken op een gelijke behandeling met de bedienden. Neen, de huidige achterstand op de bedienden wordt op 8 juli 2013 vastgeklikt. Het enige is dat die achterstand vanaf 9 juli niet meer mag vergroten.

Voorwaar een aanlokkelijk perspectief voor al die arbeiders die al jarenlang aan het lijntje werden gehouden en nu eindelijk, dankzij het Grondwettelijk Hof, dachten uitzicht te hebben op een gelijke behandeling bij ontslag. De kans dat het Grondwettelijk Hof dat gaat aanvaarden, lijkt trouwens redelijk gering. Zeker in het licht van eerdere uitspraken van de Raad van State.

De huidige arbeiders bij ontslag nog ettelijke jaren achterstellen op bedienden, daar kom je dus niet mee weg, niet voor de rechtbanken, maar – belangrijker – ook niet bij de arbeiders zelf.

Aderlating

Wat me ook frappeert is hoe het VBO met een grote bocht fietst omheen de consequenties van hun mini-ontslagbescherming voor de overheid en de sociale zekerheid. Vergeet niet dat die twee vandaag heel wat inkomsten halen uit de belastingen en bijdragen op het loon tijdens opzeg, resp. verbrekingsvergoeding.

Met bovenop nog het voordeel dat, hoe langer de opzeg of periode gedekt door de verbrekingsvergoeding, hoe later ook werkloosheidsuitkeringen moeten worden betaald. Beperk die ontslagbescherming tot een strikt minimum, en dat is op alle gebied een zware aderlating. Het VBO gebaart echter alsof haar neus bloedt. Il faut le faire op een moment dat de federale overheid opnieuw staat voor een zware begrotingscontrole en een loodzware begrotingsoefening voor 2014 en 2015.

Erger, het VBO vindt niet beter dan maar ineens ook te azen op een vrijstelling van RSZ-bijdragen voor de verbrekingsvergoedingen. Het is er anders nochtans als de kippen bij om budgettaire orthodoxie te prediken. Wie gaat de rekening van dit soort ideeën betalen denkt u?

All-in

Ik durf te hopen dat het VBO om de bovenvermelde redenen door de betrokken beleidsverantwoordelijken wandelen werd gestuurd met haar plan “op leven en dood”. Zodat er opnieuw aandacht kan komen voor een doordachter all-in benadering. We hebben de voorbije jaren als enige interprofessionele sociale partner regelmatig onze nek uitgestoken voor een globale oplossing. Dat doen we nog altijd.

Het is niet te nemen of te laten. Maar we houden wel vast aan een aantal krachtlijnen. We moeten gaan voor een globale oplossing, die het geheel van interprofessionele discriminaties aanpakt. Niet enkel wat betreft ontslag en carenzdag, maar ook wat betreft de achterstelling van bedienden inzake vakantiegeld en willekeurig ontslag, net als die van de arbeiders inzake tijdelijke werkloosheid. In één beweging moeten er ook oplossingen komen – desnoods fasegewijs - voor de discriminaties die zijn ontstaan door het aparte overleg in sectoren en bedrijven, of het nu gaat om lonen, aanvullende sociale voordelen of aanvullende pensioenen.

En voor alle duidelijkheid: het ACV stelt voor om simpelweg af te stappen van de aparte statuten van arbeiders en bedienden. Dus om te komen tot een gemeenschappelijk statuut. De werknemersgroep in vakjes opdelen naarmate ze in hoofdzaak handen- of hoofdarbeid verrichten is totaal niet meer van deze tijd.

En waarom niet ineens onderzoeken of we niet de meeste andere arbeidsovereenkomsten op de schop kunnen nemen? Want je hebt niet enkel aparte arbeidsovereenkomsten voor arbeiders en bedienden, je hebt er ook aparte voor handelsvertegenwoordigers, PWA-tewerkgestelden, dienstboden, sportbeoefenaars, zeelieden en binnenschippers. Zoals je ook een aparte opzegregeling hebt voor de diamantbewerkers. Van de aparte overeenkomst voor havenarbeid moet je uiteraard afblijven, want dat is wel een heel specifieke sector. Maar al de rest, waarom moet je daar een aparte wetgeving voor hebben?

Ik kan nog begrijpen dat je specifieke bepalingen hebt. Maar moet je daar dan een totaal aparte wetgeving voor hebben? Dat zou pas modernisering zijn. Dat zou pas vereenvoudiging zijn. À propos, de binnenschippers hebben het voortouw genomen. Hun paritair comité heeft een jaar geleden voorgesteld dat de oude wet van 1936 zou worden opgeheven en dat ze voortaan de algemene regeling zouden volgen. Dit wordt nu hopelijk ook zo snel mogelijk door het Parlement goedgekeurd. Als uitnodiging om voor de andere beroepsgroepen dezelfde oefening te doen.

Achterhoedegevechten

De sociale partners moeten voor ogen blijven houden dat de keuzes die we maken zware consequenties kunnen hebben voor overheid en sociale zekerheid. En dat we het ons niet kunnen permitteren die op te zadelen met een financiële aderlating. En ook de effecten op de loonkost mogen we niet uit het oog verliezen.

Het ACV is niet blind voor de effecten op vooral de arbeiderssectoren en in het bijzonder een aantal KMO-sectoren. En de werkgevers weten (van de onderhandelingen eind 2010) dat we bereid waren mee naar oplossingen te zoeken. Onder meer ook door een solidariteit tussen sectoren te organiseren.

Want je hebt bij een gemeenschappelijk statuut altijd winnaars en verliezers. En als de verliezers krap bij kas zitten, dan is het niet meer dan logisch dat je geld tracht over te pompen van de winnaars naar de verliezers. Dit vereist ook enige solidariteit op de werkgeversbank. En dat lijkt vandaag veel gevraagd.

Een bijkomende oplossing schuilt in het hernemen van het debat over de alternatieve financiering. U weet dat dit een van onze stokpaardjes is: de loonkost drukken door een verschuiving van lasten op arbeid naar andere inkomens, inkomens uit vermogens in het bijzonder. Dat debat was lang taboe. Maar het is gekanteld bij de begrotingsopmaak voor 2013.

Zelfs Open VLD ging er toen prat op dat een begin werd gemaakt van alternatieve financiering. Dit smaakt naar meer. Ook om de eventuele loonkosteffecten van een geharmoniseerd statuut voor arbeiders en bedienden op te vangen.

Laat dit vooral een oproep zijn om de conservatieve achterhoedegevechten te stoppen, van zowel syndicale als patronale zijde. Arbeiders verdienen beter.

Marc Leemans

(De auteur is voorzitter van het ACV .)
 

VRT NWS wil op vrtnws.be een bijdrage leveren aan het maatschappelijk debat over actuele thema’s. Omdat we het belangrijk vinden om verschillende stemmen en meningen te horen publiceren we regelmatig opinieteksten. Elke auteur schrijft in eigen naam of in die van zijn vereniging. Zij zijn verantwoordelijk voor de inhoud van de tekst. Wilt u graag zelf een opiniestuk publiceren, contacteer dan VRT NWS via moderator@vrt.be.