Grote ogen veroorzaakten uitsterven neanderthalers

Een studie van de schedels van neanderthalers en moderne mensen stelt dat de neanderthalers uitgestorven zijn doordat ze grotere ogen hadden dan onze soort. Daardoor gebruikten zij een groter deel van hun brein om te kunnen zien in de lange donkere Europese nachten, wat ten koste ging van hun vermogen om te redeneren. Onze soort, Homo sapiens, was dankzij zijn superieur denkvermogen in staat om grotere groepen te vormen en warmere kleding te maken, en zo de ijstijd te overleven.
AP2010
De schedel links van een neanderthaler heeft grotere oogkassen dan die van een Cro Magnon-mens, een moderne mens.

Neanderthalers zijn een nauw verwante soort van mensen die in Europa leefden vanaf zo'n 250.000 jaar geleden. Ze leefden gedurende korte tijd samen met de vroege moderne mensen, wat vroeger de Cro Magnon-mens genoemd werd, en hadden er ook interacties mee, tot ze rond 28.000 jaar geleden uitstierven.

Het team achter de studie ging uit van het idee dat de voorvaders van de neanderthalers uit Afrika weggetrokken zijn en zich moesten aanpassen aan de langere en donkerdere nachten en de sombere dagen in Europa. Het resultaat was dat ze grotere ogen kregen en een veel groter gebied aan de achterkant van hun hersenen gingen gebruiken om de visuele prikkels te verwerken.

De mensen die in Afrika bleven daarentegen, bleven leven in heldere en mooie dagen en hadden dus een dergelijke aanpassing niet nodig. In de plaats daarvan ontwikkelden zij hun voorhoofdskwabben, die in verband gebracht worden met het vermogen tot redeneren, voor ze zich over aardbol verspreiden.

De voorhoofdskwabben zijn betrokken bij het herkennen van de toekomstige gevolgen van huidige acties, het onderscheid maken tussen goede en slechte acties (of betere en de beste acties), het onderdrukken van sociaal onaanvaardbare uitingen en het vaststellen van overeenkomsten en verschillen tussen dingen en gebeurtenissen. Ze spelen ook een rol bij het langetermijngeheugen.

AP2008

Grote groepen en warme kleren

Eiluned Pearce van de Oxford University besloot om die theorie te toetsen en vergeleek 13 schedels van neanderthalers met 32 schedels van vroege Homo sapiens. Daaruit bleek dat de neanderthalers duidelijk grote oogkassen hadden, gemiddeld 6 mm meer van onder naar boven gemeten.

Dat lijkt misschien niet veel, maar aan de BBC zei Pearce dat het genoeg was om ervoor te zorgen dat de neanderthalers een flink groter deel van hun hersenen zullen gebruikt hebben om die visuele prikkels te verwerken. En daardoor bleef er minder hersencapaciteit over om andere functies te verwerken, zoals sociale interacties. Overigens was uit studies op primaten -aapachtigen - al gebleken dat de grootte van het oog proportioneel in verband staat met het deel van het brein dat gebruikt wordt om visuele prikkels te verwerken.

Professor Chris Singer van het Natural History Museum in London is eens met die stelling: "We concluderen dat neanderthalers een kleiner cognitief deel van de hersenen hadden en dat zal hen beperkt hebben, onder meer in hun vermogen om grotere groepen te vormen. Als je in een grotere groep leeft, heb je een groter brein nodig om al die extra relaties te verwerken", zei hij aan BBC News.

Het meer visueel georiënteerde brein van de neanderthalers kan ook hun vermogen beperkt hebben om te vernieuwen en zich aan te passen aan de ijstijd, die waarschijnlijk hun ondergang mee in de hand gewerkt heeft.

Zo is er archeologisch bewijs dat de Homo sapiens die tegelijk met de neanderthaler leefde, over naalden beschikte waarmee hij aansluitende kleding kon maken. Die zal heel wat warmer geweest zijn dan de omgeslagen kledingstukken die de neanderthalers meer dan waarschijnlijk droegen. 

Die factoren samengenomen kunnen onze soort een cruciaal voordeel gegeven hebben dat ons in staat heeft gesteld om te overleven. "Zelfs als je maar een klein percentage beter in staat was om snel te reageren, om te vertrouwen op je buren om te overleven en informatie door te geven, al die zaken tezamen gaven Homo sapiens een voordeel op de neanderthalers, en dat kan het verschil gemaakt hebben om te overleven", zei Singer.

AP1996

Geen primitieve wilden

De bevindingen van de studie lijken in te gaan tegen de moderne visie dat de neanderthalers niet de domme, botte wezens waren uit de vroegere Hollywoodfilms (kleine foto's), maar dat ze even intelligent waren als onze soort.

Professor Robin Dunbar van de Oxford University, die aan het hoofd stond van de studie, zegt dat het team niet terug wil naar het stereotiepe beeld van de primitieve, wilde neanderthaler. "Ze waren heel, heel slim, maar toch net niet in dezelfde categorie als Homo sapiens", zo zei hij. "Dat verschil kan net genoeg geweest zijn om de schaal te laten overslaan op het einde van de ijstijd, toen de toestand echt nijpend begon te worden."

Tot nu toe was de kennis van het brein van de neanderthalers gebaseerd op afgietsels van schedels. Dat gaf wel een indicatie van de grootte en de structuur van de hersenen, maar niet van hoe de neanderthalers hun hersenen gebruikten en welk verschil er daarin was met hoe homo sapiens dat deed en doet. Deze studie is een vindingrijke benadering om dat laatste te belichten. De studie is gepubliceerd in de Proceedings of the Royal Society B.