Waarom zijn conclusies van psychiaters uiteenlopend?

In de grote processen voor het hof van assisen, zoals het proces-De Gelder, laten gerechtspsychiaters hun licht schijnen op de verdachten. Opvallend is dat ze vaak niet tot dezelfde conclusie komen. Hoe komt het dat de diagnoses soms zo uiteenlopend zijn?

De psychologie is geen exacte wetenschap. Het bestuderen van de mens valt niet samen te vatten in een duidelijk en vaststaand 2 + 2 = 4. Het gaat om een beeld vormen van het individu als onderzoeksobject. Gerechtspsychiaters komen tot een verschillende diagnose door een aantal factoren.

Zo baseren deskundigen (foto) hun oordeel op een hele batterij aan tests. De keuze van de test hangt af van de stoornis die men wil onderzoeken. Er zijn namelijk specifieke tests voor onder meer psychopathie en manisch-depressieve stoornis. Op basis van gesprekken zal men dus een aantal tests uitzoeken waarvan het gevoel leeft dat ze van belang zijn bij het stellen van een diagnose.

De psychologie kent ook een aantal valkuilen. Wat psychiaters vaak verweten wordt, is dat ze in een verdachte/cliënt de stoornis herkennen waarin zij zelf gespecialiseerd zijn. Bijvoorbeeld een psychiater die borderline als specialisatie heeft, zal iemand ook sneller het etiket "borderline" opplakken dan een andere deskundige.

De diagnose is ook afhankelijk van de band van de beschuldigde met de psychiater. Neemt hij of zij de arts in vertrouwen? Is hij of zij bereid om mee te werken aan het psychiatrische onderzoek?

Ook trends en hypes spelen een rol in het stellen van een diagnose. In bepaalde perioden wordt een specifieke diagnose vaker herkend. Zo werd enkele jaren geleden bijna bij elk kind ADHD (aandachtstekort / hyperactiviteitsstoornis) vastgesteld en zo dook plots ten tijde van het proces-Van Themsche het Aspergersyndroom op. Kenmerken van het syndroom zijn beperkingen in de sociale interacties en een beperkt gamma aan interesses en activiteiten. "Aspergers" hebben een normale tot hoge intelligentie.

Ook belangrijk bij het stellen van de diagnose is de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). De DSM geeft een overzicht van alle ziektebeelden met bijhorende symptomen. Een ziektebeeld bestaat uit hoofdsymptomen en bijsymptomen. Voor de diagnose van een bepaalde stoornis moet de persoon in kwestie een aantal van de hoofdsymptomen en minstens een bepaald aantal van de bijsymptomen vertonen. Deze zijn niet altijd even duidelijk vast te leggen.

Diagnoses zijn vaak verschillend, omdat een mens niet in één hokje te stoppen is of in één duidelijke definitie te gieten is, en gelukkig maar.

Bekende voorbeelden van tegenstrijdige diagnoses

Hans Van Themsche is 18 jaar als hij in Antwerpen de peuter Luna en haar Malinese oppas Oulemata doodschiet en de Turkse Songul Koç zwaar verwondt. Van Themsche werd door een eerste gerechtspsychiater ontoerekeningsvatbaar verklaard. Een tweede deskundige gaf een totaal ander beeld. Hij zei dat Van Themsche wel degelijk wist wat hij deed én dat hij zijn gedrag had kunnen corrigeren als hij dat wou. De psychiater benadrukte dat bij de jongeman geen persoonlijkheidsstoornis kon worden vastgesteld en dat hij dus wel degelijk toerekeningsvatbaar was.

Ook bij Kim De Gelder, de man die een bloedbad aanrichtte in de crèche Fabeltjesland, klinken er tegenstrijdige geluiden. Een college van vijf gerechtspsychiaters verklaart de moordenaar toerekeningsvatbaar, maar een tegenexpert is het daar niet mee eens. "De Gelder lijdt aan schizofrene psychose en is dus ontoerekeningsvatbaar. Hij is zwaar ziek en hoort dus niet thuis in de gevangenis", luidt het.

"Léopold Storme, de jongeman die verdacht wordt van de moord op zijn ouders en zus, is schizofreen en is dus niet verantwoordelijk voor zijn daden." Dat zei een college van gerechtspsychiaters tijdens het onderzoek naar de moorden in de Brusselse Marollenwijk. Ze pleitten voor een internering van Storme. Volgens het rapport van de psychiaters moest Storme dus niet voor het hof van assisen verschijnen. Maar omdat een tegenexpert Storme wel degelijk toerekeningsvatbaar achtte, is dat nu wel het geval.

De vele psychiaters die Els Clottemans, de verdachte in het proces over de parachutemoord, hebben onderzocht, zijn het over één ding eens: Clottemans lijdt aan borderline. Dat is een persoonlijkheidsstoornis waardoor haar emoties snel omslaan en heel extreem kunnen zijn. Minder eensgezind zijn de psychiaters het over het etiket "psychopaat". De gerechtspsychiater die Clottemans aan een vragenlijst heeft onderworpen, komt tot de conclusie dat zij "een redelijke hoeveelheid psychopate kenmerken" vertoont. Op de PCLR-test voor psychopathie haalde ze 25 op 40. Volgens de behandelende psychiater van Clottemans is er bij haar sprake van highlevel borderline, waarbij de agressie zich naar zichzelf richt, waarin de zelfverminkingen en zelfmoordneigingen te verklaren zijn. Deze psychiater zag bij Clottemans dus geen psychopate kenmerken.