Al het zesde noodplan voor de eurozone

Cyprus krijgt een hulpplan van 10 miljard euro noodkredieten van de andere eurolanden. Het is al de zesde keer dat de eurozone een reddingsboei moet uitgooien om overboord gevallen lidstaten of hun banken te redden.
AP2012

Het heeft bloed en tranen gekost de voorbije weken, maar het bankroet van Cyprus en zijn uit de voegen gebarsten banksector is dus vermeden. Cyprus moet wel zelf 5,8 miljard euro ophoesten, onder meer door een belasting op spaargelden te heffen - een primeur. 

In ruil krijgt Cyprus een noodkrediet van 10 miljard van de andere eurolanden. Het grootste deel van dat geld gaat naar de herstructurering van de kwakkelende banksector, de rest zou de Cypriotische overheid moeten overeind houden die met een "junkstatus" niet erg welkom meer is op de kapitaalmarkt.

Het gaat hier om een klein bedrag dat in het niets zinkt tegenover wat eerder aan Griekenland, Ierland en Portugal werd uitgekeerd. Wat opvalt, is de erg klungelachtige manier waarop de redding van Cyprus is verlopen, zowel door de eurozone als door de regering in Nicosia zelf.

AP2012

De Griekse "ziekte" breidde zich uit

In mei 2010 verkreeg het failliete Griekenland een eerste internationaal hulpplan van 110 miljard euro van de eurozone en het Internationaal Muntfonds. Dat moest het faillissement van Griekenland voorkomen toen dat niet meer kon lenen op de kapitaalmarkt.

In de nasleep daarvan werd dan het EFSF (European Financial Stability Fund) opgericht, het eerste en tijdelijke noodfonds van de eurozone. Het fonds werd gestijfd met enkele honderden miljarden garanties, maar moest vooral het vertrouwen in de euro herstellen.

Dat lukte niet echt, want in november 2010 gingen de Ierse banken onderuit na een vastgoedcrisis en trokken ze de overheid -die hun volledige garanties had verleend- mee in hun val. Ook Ierland kreeg een hulpplan van het EFSF en het IMF, dit keer voor 85 miljard euro. Net als Griekenland moest er in ruil fors bezuinigd worden en moest de overheid bezittingen privatiseren. 

In mei 2011, een jaar na Griekenland, ging het arme Portugal onderuit, wat tot een derde hulpplan van 78 miljard leidde van het EFSF en het IMF. Twee maanden later, in juli 2011, moest Griekenland opnieuw overeind worden gehouden, dit keer met een tweede hulpplan van 130 miljard euro.

Intussen was het tijdelijke noodfonds EFSF versterkt met een permanent noodfonds voor de eurozone, het ESM (European Stability Mechanism) en dat mocht in november 2012 van stal met 41,3 miljard euro noodkredieten voor de Spaanse banken, niet voor de overheid in Madrid. Die banken hadden hun broek gescheurd aan een vastgoedbubble en de financiering van ongeremde investeringsprojecten door vooral de lokale overheden in Spanje.

AP2012

Moest dat nu echt?

De eurocrisis van de voorbije jaren heeft inmiddels een donkere schaduw en veel twijfels uitgestort over de eurozone, die iets meer dan tien jaar geleden met veel fanfare van start ging. De resultaten zijn ook gemengd: Ierland lijkt zich vrij goed te herstellen en de Spaanse banken blijven overeind. Griekenland en Portugal daarentegen storten niet in, maar blijven wel aanmodderen en zitten in een diepe recessie.

De crisis was een gevolg van de bankencrisis van 2007, maar heeft ook structurele oorzaken Zo gooiden de lidstaten met de pet naar de afgesproken begrotings- en schuldobjectieven, was er geen echte waakhond die daartegen kon optreden en toen het fout ging, moesten in allerijl noodfondsen uit het niets worden opgetrokken.

Vooral de blunder met de spaargeldheffing in Cyprus kan het vertrouwen in de manier waarop de eurozone die problemen aanpakt, niet echt terugbrengen.