De erfenis van Thatcher - Ivan Ollevier

Mijn eerste bezoek aan het Verenigd Koninkrijk dateert van de tweede helft van de jaren 70. Voor de puberende anglofiel die ik toen was, was dat een ontnuchterende confrontatie.
analyse
Analyse
Aansturen van de 'analyse' teaser o.a. op de home pagina en 'analyse' weergave op een detail artikel. Deze tag zorgt er ook voor het automatisch aanvullen van de 'analyse' overzichtspagina

De treinen tussen Dover en Victoria Station reden met een halfuur vertraging, in de stationshal was de overheersende kleur zwart, Londen was grijs en smerig, zwerfvuil hoopte zich op in de portieken van de Victoriaanse herenhuizen. De enige kleur in het straatbeeld leverden de punks met hun groene en oranje hanenkammen die verzamelden rond het winkeltje van Vivien Westwood en Malcolm McLaren in World’s End (tegenwoordig overigens een peperdure winkelstraat) in Chelsea. “No Future,” schreeuwden ze.

Het Verenigd Koninkrijk zat in die periode economisch en financieel aan de grond. Het Internationaal Muntfonds had het land met extra middelen moeten bijspringen, en de opeenvolgende Labour en Conservatieve regeringen werden geplaagd door stakingsacties die de steden platlegden. De klap op de vuurpijl kwam in de winter van 78-79, toen tijdens de Winter of Discontent de vakbonden het openbare leven wekenlang paralyseerden. In de straten van Londen lag het huisvuil metershoog, de ratten liepen er de bezoeker voor de voeten, en in Liverpool werden de doden zelfs niet meer begraven.

Paleisrevolutie

Maar in een achterkamer van het hoofdkwartier van de Conservatieven, Central Office, bereidde een handvol parlementsleden een revolutie voor. Een rechtse revolutie, maar hoe dan ook een revolutie. De briljante maar wereldvreemde Keith Joseph had “The Way to Serfdom” ontdekt, een boek waarin de Oostenrijker Friedrich von Hayek korte metten maakte met de sociaaldemocratie. In combinatie met de theorieën van de economist Milton Friedman zorgde dat in het brein van Joseph (bijgenaamd “the mad monk”) voor een explosief mengsel.

Margaret Thatcher hing aan zijn lippen. Alleen een extreem liberalisme kon het land van de ondergang redden, dat was het messianistische idee waarvan de groep rond Joseph doordrongen was. Deregulering. De staat die zich terugtrok uit het economische leven. Het aanzuiveren van de overheidsfinanciën. Privatisering. Zo laag mogelijke uitkeringen. Individualisme. Toen ze met hun plannen naar buiten kwamen, geloofden de andere Conservatieve parlementsleden, brave Keynesvolgelingen en consensuspolitici, hun oren niet. Op de neoliberale paleisrevolutie binnen hun eigen partij waren ze niet voorbereid.

De Winter van het Ongenoegen kostte de sociaaldemocratische premier James Callaghan de verkiezingen. Callaghan was een minzame man, “Sunny Jim” genoemd vanwege zijn vriendelijkheid en optimisme. Hij sprak de kiezer vaderlijk toe vanuit een televisiestudio in zijn ambtswoning in Downing Street. Thatcher trok de boer op met in haar kielzog tien cameraploegen, praatte met de Britse kiezer, omhelsde een kalfje, en noemde Callaghan zondermeer een prutser en een onbekwame boerenpummel. Voor haar partijgenoot en voorganger Ted Heath was ze evenmin mild. Het moet gedaan zijn met toegevingen aan de vakbonden, verkondigde ze luidkeels. Het was een geluid dat de Britten niet gewend waren. Ze won de verkiezingen van 1979, en ze zou 11 jaar premier blijven.

De “doomed eighties” braken aan, de gitzwarte jaren 80, een decennium dat onlosmakelijk met Thatcher verbonden blijft. En Thatcher hield haar woord. Ze brak de macht van de vakbonden, privatiseerde vele tientallen overheidsbedrijven, liet in het oosten van Londen een nieuw financieel district optrekken, bleef onverzettelijk tegen de Ierse terreurbeweging IRA, en trok zich weinig of niets aan van de werkloosheid die steeg, en bleef stijgen, en bleef stijgen. Conservatieve ministers raakten in paniek, namen ontslag of werden op straat gegooid, maar Thatcher lapte dat allemaal aan haar laars. Haar eigen partijgenoten had ze ingedeeld in “wets” (de twijfelaars) en “dries” (haar medestanders).

Tot het enkelen van hen teveel werd. Geoffrey Howe, ooit haar hondstrouwe bondgenoot, was het oneens met haar Europese beleid en werd het beu om tijdens kabinetsvergaderingen afwisselend als deurmat of als boksbal te fungeren. Hij nam ontslag met een dodelijke afscheidsspeech in het parlement, en leidde daarmee het einde van het Thatchertijdperk in. Ze huilde toen ze plaats ruimde in Downing Street voor John Major. Het was een van de weinige keren dat de Britten een emotionele Thatcher te zien kregen.

We spoelen 20 jaar door, naar het einde van het eerste decennium van de 21ste eeuw. Londen is bijna onherkenbaar veranderd. Ondanks de economische crisis is het Verenigd Koninkrijk weer een welvarend land geworden. Maar na 30 jaar Thatcheriaans beleid, van zowel Labour als Conservatieven, is de kloof tussen rijk en arm in de Europese Unie nergens zo groot als daar. In de dienstensector is een nieuw proletariaat aan het werk: weinig aantrekkelijke banen, nauwelijks werkzekerheid en je verdient er een schijntje van wat ze opstrijken in de bankensector.

Oudere Britten klagen dat het land verkild is, dat er geen solidariteit meer is, dat alles in het teken staat van geld verdienen. Is dat een erfenis van Margaret Thatcher? Haar vijanden houden vol van wel. Honderden van hen hebben maandagvond feest gevierd, van Brixton tot Glasgow. Maar premier David Cameron liet gisteren weten dat Thatcher het land heeft gered uit een neerwaartse economische spiraal. Zelfs na haar dood blijft Thatcher hevige emoties oproepen.

(De auteur is VRT-journalist en kenner van Groot-Brittannië.)